Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:2502

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
15 april 2024
Zaaknummer
21-006609-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs in diefstal met braak

Verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor diefstal met braak in een woning, waarbij een kluis werd weggenomen. De tenlastelegging betrof een inbraak samen met een of meer anderen in de nacht van 1 op 2 juni 2019.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de politierechter vernietigd vanwege een andere bewijswaardering. De herkenningen van verdachte door verbalisanten, die de enige aanwijzingen voor zijn betrokkenheid vormden, werden onvoldoende betrouwbaar geacht. De processen-verbaal bevatten onvoldoende specificatie van de kenmerken waarop de herkenningen waren gebaseerd en lieten twijfel onduidelijk.

Er was geen aanvullend bewijs, zoals sporenonderzoek of het aantreffen van de kluis bij verdachte. Hierdoor kon het hof niet wettig en overtuigend vaststellen dat verdachte het tenlastegelegde had begaan en sprak hij hem vrij.

De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat de verdachte niet schuldig werd verklaard. Het hof veroordeelde verdachte alleen tot vergoeding van de gemaakte kosten voor de tenuitvoerlegging, begroot op nihil.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs voor diefstal met braak.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-006609-19
Uitspraak d.d.: 5 april 2024
TEGENSPRAAK
Arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem- Leeuwarden , zittingsplaats Leeuwarden
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 6 december 2019 met parketnummer 18-720168-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
thans uit anderen hoofde verblijvende in P.I. [locatie] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 september 2022, 22 maart 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft verder kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. J.G.M. Dassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte voor het tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van voorarrest, en heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1] hoofdelijk toegewezen tot een bedrag van € 350,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.
De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij in of omstreeks de nacht van 01 juni op 02 juni 2019, te [pleegplaats] , in/uit de woning [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een kluis met inhoud, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Verdachte wordt, kort gezegd, verweten dat hij in de nacht van 1 op 2 juni 2019 samen met een andere persoon heeft ingebroken in een woning in [pleegplaats] .
Dat er bij de betreffende woning door twee personen is ingebroken, kan worden vastgesteld op grond van camerabeelden, een aangiftes van de bewoner van de betreffende woning en de verklaring van een buurman van wie een sleutel is weggenomen.
Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte en/of medeverdachte bij deze inbraak bevat het dossier meerdere processen-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten hebben opgetekend dat zij verdachte en/of medeverdachte herkennen als de personen die op de camerabeelden zichtbaar zijn. Vier van deze verbalisanten zijn vervolgens bij de raadsheer-commissaris over deze herkenningen nader gehoord.
Het hof heeft kennisgenomen van de camerabeelden, van de wijze waarop de herkenningen door de verschillende verbalisanten zijn beschreven en van de processen-verbaal die door de raadsheer-commissaris zijn opgemaakt. In het algemeen geldt dat herkenning vaak in een snel en deels onbewust proces plaatsvindt op basis van een in het geheugen opgeslagen beeld. De uitkomst van dit proces is niet zelden dat de verbalisant tot de conclusie komt dat er wel of niet sprake is van herkenning, waarbij de beoordelaar vaak niet in alle opzichten kan expliciteren waarom hij of zij een bepaalde conclusie trekt. Het is aan het hof om telkens te beoordelen of de herkenningen in een voorliggende zaak als geheel voldoende betrouwbaar zijn. Bij die beoordeling kan onder meer worden betrokken op grond van welke kenmerken (één van) de verdachten is/zijn herkend en ook kan worden meegewogen of er ander steunbewijs is dat in de richting van betrokkenheid van verdachte(n) wijst.
In de onderhavige zaak constateert het hof dat voor de betrokkenheid van verdachte en/of medeverdachte geen ander bewijs voorhanden is dan de herkenningen door verbalisanten. Zo is er geen sporenonderzoek dat wijst in de richting van verdachte en is de kluis ook niet bij verdachte aangetroffen.
Voor de vraag of het tenlastegelegde kan worden bewezen, is in deze zaak de beoordeling van de betrouwbaarheid van de herkenningen doorslaggevend. Mede in het licht daarvan is het hof van oordeel dat in de door verbalisanten opgemaakte processen-verbaal meer specifiek had kunnen en moeten worden geduid op grond van welke kenmerken zij (één van) de verdachten menen te hebben herkend. De herkenningen zijn daardoor te ‘vlak’ van karakter. Daarbij komt dat in een aantal processen-verbaal is beschreven dat de betreffende verbalisant een zekere twijfel heeft over een herkenning, maar daarbij is vervolgens niet aangegeven waaruit die twijfel heeft bestaan en waar die op is gebaseerd. Dat maakt dat een beoordeling van die mate van twijfel en de redenen daarvoor niet goed kan worden gemaakt.
Het hof is, alles overziend, van oordeel dat de herkenningen in dit dossier een zodanig algemeen karakter dragen dat zij niet zonder meer betrouwbaar kunnen worden geacht. Het hof zal deze herkenningen daarom niet voor het bewijs gebruiken. Met het ontbreken van andere bewijsmiddelen die naar verdachte leiden, leidt dat tot de slotsom dat de betrokkenheid van verdachte bij de hem verweten inbraak niet bewezen kan worden.
Het hof acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en zal hem daarom vrijspreken.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 350,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het bewezenverklaarde tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in de vordering niet worden ontvangen.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. L.T. Wemes, voorzitter,
mr. P.S. Bakker en mr. E.C.M. Wolfert, raadsheren,
in tegenwoordigheid van D.D. Drost, griffier,
en op 5 april 2024 ter openbare terechtzitting uitgesproken.