De kinderrechter heeft op 21 november 2023 een machtiging verleend aan de gecertificeerde instelling (GI) om de minderjarige uit huis te plaatsen in een gezinshuis. De moeder is het hier niet mee eens en ging in hoger beroep, stellende dat de minderjarige bij familie zou moeten wonen of dat zij samen in een moeder-kindhuis opgenomen zouden worden.
Het hof heeft de stukken bestudeerd en de zitting van 19 maart 2024 gehouden. Het hof stelt vast dat de machtiging noodzakelijk is voor de opvoeding en verzorging van de minderjarige. Ondanks dat de moeder therapieën volgt en zich ontwikkelt, zijn de zorgen over haar opvoedcapaciteiten niet weggenomen en is het onduidelijk wat de therapieën op termijn zullen opleveren.
De voorgestelde alternatieven, zoals opname in een moeder-kindhuis of plaatsing binnen het netwerk van familie, zijn niet passend. Eerder ingezette hulpverlening in die richting heeft niet het gewenste resultaat gehad, en de netwerkplaatsingen bieden geen langdurige en stabiele oplossing. Het belang van de minderjarige bij een professionele en stabiele opvoedsituatie met expertise in trauma en hechting weegt zwaar.
Daarnaast is er sprake van spanningen tussen de moeder en de gezinshuisouders, wat de kinderen merken. Het hof benadrukt het belang van aandacht en hulp bij de communicatie. De GI wordt opgedragen de omgangsmogelijkheden tussen moeder en kind te blijven onderzoeken en te verbeteren. De beschikking van de kinderrechter wordt bekrachtigd en het meer of anders verzochte wordt afgewezen.