ECLI:NL:GHARL:2024:2555

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 april 2024
Publicatiedatum
16 april 2024
Zaaknummer
Wahv 200.334.204/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake proceskostenvergoeding bij verkeersboete

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter inzake een verkeersboete en de daarbij toegekende proceskostenvergoeding. De kantonrechter had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot €180,-, terwijl de proceskostenvergoeding werd vastgesteld op €866,25.

De betrokkene betoogde dat de proceskostenvergoeding onjuist was vastgesteld, omdat de kantonrechter een te lage wegingsfactor had toegepast gezien het feit dat de betrokkene inhoudelijk in het gelijk was gesteld. Het hof onderzocht deze klacht en constateerde dat de kantonrechter de vergoeding inclusief administratief beroep had toegekend, waardoor het bedrag hoger was dan volgens de jurisprudentie van het hof gebruikelijk is.

Het hof stelde vast dat bij overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg slechts proceskostenvergoeding voor de beroepsfase bij de kantonrechter toekomt. Hierdoor was de toegekende vergoeding hoger dan noodzakelijk. Gezien dit belang bestond er geen grond om de beslissing van de kantonrechter te vernietigen. Het hof bevestigde daarom de beslissing en wees het verzoek om proceskostenvergoeding in hoger beroep af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om een hogere proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.204/01
CJIB-nummer
: 235378105
Uitspraak d.d.
: 16 april 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 30 augustus 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 180,-. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is toegewezen tot een bedrag van € 866,25.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Het hoger beroep is beperkt tot de door de kantonrechter gegeven beslissing op het verzoek om een proceskostenvergoeding. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat de proceskostenvergoeding onjuist is vastgesteld. De kantonrechter heeft bij de toekenning van de vergoeding voor de kantonfase ten onrechte wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) gehanteerd. Dit had wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) moeten zijn, nu de betrokkene inhoudelijk in het gelijk is gesteld.
2. Het hof stelt vast dat de door de kantonrechter toegepaste matiging van het sanctiebedrag in deze zaak zijn grondslag vindt in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Gelet op de inmiddels bestendige jurisprudentie van het hof wordt in zodanig geval slechts een proceskostenvergoeding toegekend voor de fase van het beroep bij de kantonrechter. Dit brengt mee dat in deze zaak voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het bijwonen van de zitting van de kantonrechter twee punten hadden moeten worden toegekend, wat neerkomt op een proceskostenvergoeding ten bedrage van € 837,- (= 2x € 837,- x 0,5). De vergoeding die hier is toegekend door de kantonrechter, die ook de proceshandelingen in administratief beroep voor vergoeding in aanmerking heeft gebracht, gaat dit bedrag te boven.
3. Gelet op het vorenstaande bestaat geen belang bij het vernietigen van de beslissing van de kantonrechter. Het hof zal de bestreden beslissing daarom bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding in hoger beroep afwijzen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Verstraaten als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.