ECLI:NL:GHARL:2024:2598

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
17 april 2024
Zaaknummer
Wahv 200.330.943/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 WahvArt. 6 EVRMArt. 11 WahvBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie doorrijden rood verkeerslicht en proceskostenvergoeding afgewezen

De betrokkene werd gesanctioneerd met een boete van €250 wegens het doorrijden bij een rood verkeerslicht op 13 april 2021 in Nijmegen. De kantonrechter vernietigde de beslissing van de officier van justitie en verklaarde het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond, maar wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep bevestigt het hof dat de sanctie terecht is opgelegd, ondanks de ontkenning van de betrokkene en het ontbreken van een staandehouding. De ambtenaar reed in een privévoertuig en had geen middelen tot staandehouding, waardoor de sanctie aan de kentekenhouder mocht worden opgelegd. Het hof matigt de boete met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de gemachtigde geen beroepsmatig en duurzaam inkomen uit rechtsbijstand verkrijgt. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie wordt gegrond verklaard. De sanctie wordt verlaagd tot €187,50 en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: De sanctie wordt gematigd tot €187,50 en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.330.943/01
CJIB-nummer
: 240523891
Uitspraak d.d.
: 17 april 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 2 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is D.G.J.A. Coenen (Juristenkantoor Coenen), kantoorhoudende te Zevenaar.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 19 maart 2024 is nog een schriftelijk standpunt van de gemachtigde ontvangen.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 april 2024. De gemachtigde en de betrokkene zijn verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling1.De door de gemachtigde van de betrokkene aangevoerde gronden die strekken tot vernietiging van de beslissing van de officier van justitie laat het hof buiten beschouwing, nu de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie al vernietigd heeft. De opmerking in het beroepschrift, dat de eerder ingediende gronden als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd is, gelet op vaste jurisprudentie van het hof, niet aan te merken als beroepsgrond in hoger beroep, zodat het hof ook hieraan voorbijgaat.

2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 april 2021 om 08:47 uur op de Wijchenseweg in Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. Verder voert de gemachtigde aan dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Dat de ambtenaar aangeeft op dat moment in een privévoertuig te hebben gereden, is onvoldoende om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was. Zo is niet aangetoond dat het privévoertuig daadwerkelijk geen middelen voorhanden had om een staandehouding te verrichten. Bovendien is het ook denkbaar dat dergelijke middelen überhaupt niet nodig waren, nu het niet duidelijk is of de ambtenaar bijvoorbeeld in uniform was en als zodanig herkenbaar was. Nu de informatie omtrent het niet staandehouden onvolledig is, is de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder opgelegd.
4. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik had direct zicht op het verkeerslicht en zag dat dit ongeveer 3,00 seconden op rood stond op het moment dat de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Plaatsaanduiding verkeerslicht: verkeerslicht voorzien van het nummer 62.3. Betrof een rijbaan met 2 rijstroken voor rechtdoor. De bestuurder reed over de linkerrijstrook. (…)
Reden geen staandehouding: verbalisant reed in privéauto, derhalve kon bestuurder niet worden staande gehouden.”
6. De ambtenaar verklaart dat hij direct zicht had op het betreffende verkeerslicht en heeft gezien dat het voertuig van de betrokkene dit licht negeerde en zijn weg vervolgde. Gelet op de verklaring van de ambtenaar en de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Hetgeen de gemachtigde aanvoert, vormt geen reden om aan de juistheid van de gegevens te twijfelen. De grond faalt.
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8.
Naar het oordeel van het hof blijkt uit de gegevens in het dossier genoegzaam dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De ambtenaar reed in zijn privévoertuig, wat doorgaans inhoudt dat middelen tot staandehouding - zoals een stoptransparant of optische- en geluidssignalen - niet voorhanden zijn (vgl. het arrest van het hof van 29 oktober 2020: ECLI:NL:GHARL:2020:8844). Er is niet gebleken van een bijzondere situatie waardoor zich wel een reële mogelijkheid tot staandehouding voordeed. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat van een ambtenaar niet mag worden verwacht dat hij in een privévoertuig een rood licht negeert om een staandehouding te kunnen verrichten. Ook deze grond faalt.
9. Het hof stelt met de gemachtigdevast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 22 april 2021 aan de betrokkene verzonden. De procedure in eerste aanleg is eerst met de beslissing van de kantonrechter van 2 mei 2023 geëindigd. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
10. De gemachtigde heeft namens de betrokkene verzocht om toekenning van een vergoeding van proceskosten voor verleende rechtsbijstand. Op grond van artikel 1, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen slechts de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking. Daartoe moet de rechtsbijstandverlening een vast onderdeel vormen van een duurzame op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening (vgl. ECLI:NL:RVS:2016:406). Naar het oordeel van het hof is hiervan op dit moment ten aanzien van de gemachtigde geen sprake. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de gemachtigde ter zitting van het hof heeft aangegeven verschillende werkzaamheden uit te voeren en niet meer dan enkele honderden euro’s per kwartaal aan inkomsten te hebben uit het verlenen van rechtsbijstand. Het verzoek om een proceskostenvergoeding zal dan ook worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 187,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.