ECLI:NL:GHARL:2024:260

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 januari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.328.540/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctiebeschikking vasthouden mobiel tijdens rijden

De betrokkene werd administratief gesanctioneerd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 16 april 2022. Hij stelde dat niet hij, maar zijn neef de gedraging had verricht en onderbouwde dit met drie getuigenverklaringen en aanvullende informatie over het verbreken van het vasten.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar het hof overwoog dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende overtuigend was. De identiteit van de betrokkene was vastgesteld aan de hand van controlevragen en een rijbewijsfoto, maar het hof achtte het aannemelijk dat een neef die sterk op hem lijkt, de overtreding heeft begaan.

Ook was de scooter waarop de overtreding plaatsvond op naam van de moeder van de neef geregistreerd en vond de gedraging plaats nabij het huis van de neef. Gelet hierop en de getuigenverklaringen acht het hof de sanctiebeschikking niet stand te houden en vernietigt deze. Het beroep wordt gegrond verklaard en de sanctie komt te vervallen.

Uitkomst: Sanctiebeschikking wegens vasthouden mobiel tijdens rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs dat betrokkene de overtreding beging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.540/01
CJIB-nummer
: 248794567
Uitspraak d.d.
: 11 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 4 mei 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 16 april 2022 om 20:37 uur op de Noordsingel in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De betrokkene voert aan dat hij geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter heeft ontvangen. Hij denkt dat de uitkomst anders was geweest als hij op de zitting een toelichting had kunnen geven. De betrokkene stelt dat niet hij, maar zijn neef de gedraging heeft verricht. De betrokkene was op het moment dat de gedraging werd geconstateerd en tijdens de staandehouding bij vrienden in verband met het verbreken van het vasten. Gebruikelijk is dat je dan niet precies op het tijdstip van het verbreken van het vasten het huis binnenloopt en gaat eten, maar even van tevoren al aanwezig bent. De betrokkene was al rond 20.00 uur in het huis van zijn vriend [naam1] . Na het verbreken van het vasten is de betrokkene met zijn vrienden rond 22.00 uur naar de moskee gelopen voor het laatste gebed. De stelling van de advocaat-generaal dat hij eten zou kunnen hebben brengen bij familie en zijn teruggegaan is een ongeloofwaardig scenario, omdat men niet 5 minuten voor het verbreken van het vasten nog even wat eten gaat brengen. De advocaat-generaal stelt dat de pleeglocatie 600 meter is van het huis waar de betrokkene het vasten zou hebben verbroken, maar het huis van de neef is op 150 meter van de pleeglocatie. Het is dus aannemelijker dat zijn neef snel onderweg was naar zijn huis om het vasten te verbreken, dan dat de betrokkene 5 minuten voor het verbreken van het vasten nog iets ging wegbrengen. Er is ten onrechte geen aandacht besteed aan het gegeven dat de scooter op naam van de moeder van de neef van de betrokkene stond en niet op naam van de betrokkene. De ambtenaar verklaart dat de betrokkene zou hebben aangegeven dat hij aan het werk was ten tijde van het constateren van de gedraging, maar dit is in een andere zaak aangevoerd.
3. De betrokkene heeft drie getuigenverklaringen overgelegd. [naam2] verklaart een vriend van de betrokkene te zijn en – kort samengevat – dat hij en de betrokkene op 16 april 2022 rond 20.00 u aankwamen bij het huis van [naam1] omdat de moeder van [naam1] hen had uitgenodigd voor de Iftar. Zij zijn rond 22.00 uur vertrokkene naar de moskee voor het laatste gebed. [naam1] verklaart dit ook. [naam3] verklaart dat haar zoon [naam1] , [naam2] en de betrokkene rond 20.00 uur de betreffende dag naar haar huis kwamen en dat zij om 20.40 uur de Iftar hebben verbroken en dat de vrienden iets voor 22:00 uur naar de moskee zijn gegaan.
4. De betrokkene heeft hierbij nog een overzicht van [naam4] overgelegd waarin in de kolom van 16 april 2022 het tijdstip 20:45 uur als tijdstip is vermeld waarop het vasten wordt verbroken.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“(…). Ik vroeg de jongen naar een geldig en op naam staand rijbewijs. Ik hoorde de jongen zeggen: ‘Oké je hebt gelijk, ik weet dat ik fout zit. Ik ging alleen even wat bij familie brengen, want het is ramadan. Ik doe dit echt nooit. Ik heb ook mijn rijbewijs niet bij mij. Ik ben even snel naar buiten gegaan, maar ik kan gewoon mijn gegevens opgeven.’ Ik, verbalisant, deelde de jongen mee dat ik hem de kans wilde geven zijn identiteitsgegevens op te geven, maar dat ik hier alleen mee akkoord kon gaan als ik deze gegevens kon verifiëren. De jongen verklaarde vervolgens aan mij te zijn genaamd: [de betrokkene] , geboren [in] 2002, te [woonplaats] . Ik zal deze persoon in de rest van het proces-verbaal [de betrokkene] noemen.
Aangezien [de betrokkene] zich niet kon legitimeren, vroeg ik hem na het opgeven van zijn identiteitsgegevens een aantal controlevragen. Zo vroeg ik [de betrokkene] wie er nog meer staan ingeschreven op het adres waar [de betrokkene] staat ingeschreven. Ik hoorde dat het antwoord wat [de betrokkene] gaf, klopte met de gegevens volgens de gemeentelijke basisadministratie. Ik keek vervolgens op de politiediensttelefoon in het bedrijfsprocessensysteem van de politie en zag dat [de betrokkene] wel in het bezit was van een geldig en op naam staand rijbewijs. Hij had dit rijbewijs echter alleen niet bij zich. Ik vergeleek vervolgens rijbewijsfoto die in het bedrijfsprocessensysteem van de politie zichtbaar was bij het opvragen van de identiteitsgegevens van [de betrokkene] . Ik zag dat de foto overeenkwam met de persoon die voor mij stond. Hierdoor had ik geen twijfel meer over het feit dat [de betrokkene] de juiste identiteitsgegevens aan mij had opgegeven. Ik hoorde dat [de betrokkene] verder aan mij verklaarde dat hij vaak met de politie samenwerkte en respect had voor de werkzaamheden. Hij verklaarde zelf een opleiding in de beveiliging te volgen. Uit coulance is hem geen proces-verbaal opgelegd voor het niet bij zich hebben van een identiteitsbewijs.
1. Op welke wijze zijn de personalia vastgesteld?
Middels de rijbewijsfoto van [de betrokkene] die overeenkwam met de persoon die ik voor mij zag. Ook door het stellen van controlevragen waar [de betrokkene] antwoord op kon geven.
2. Is de juiste persoon bekeurd en waaruit blijkt dat?
Ja, daar ben ik heel zeker van. Als er enige twijfel is over de identiteit van een staandegehouden persoon schrijf ik geen proces-verbaal uit.
3. In het verweer geeft [de betrokkene] nog aan dat hij niet weet van wie de scooter is die genoemd is in het proces-verbaal en waar hij op staandegehouden is ten tijde van het vasthouden van zijn mobiele telefoon. Als ik in het bedrijfsprocessensysteem zoek op dit kenteken blijkt dat deze op naam gesteld is van: [naam5] , geboren [in] 1975, te [woonplaats] . Onderzoek in het bedrijfsprocessensysteem leert dat deze [naam5] een tante is (zus van de moeder van [de betrokkene] ). Ook dit verweer gaat dus zeker niet op.
4. Tevens stelt [de betrokkene] in zijn verweer dat hij op gestelde datum moest werken vanaf 21.30 uur. Dit is goed mogelijk, de staandehouding was bijna een uur eerder en dus dit heeft daar niets mee te maken.
Voorts wil ik u nog mededelen dat ik het ronduit onbeschoft vind dat [de betrokkene] meerdere strafbare feiten begaat en in dit geval ik, als politiefunctionaris, coulant ben naar hem, maar dat hij hier nu misbruik van probeert te maken. Dit ook zeker gezien het feit dat hij zelf werkzaam is als beveiliger, dan wel hier een opleiding voor aan het volgen is. Ik verzoek u dan ook met klem het proces-verbaal doorgang te laten vinden.”
7. De betrokkene heeft gedurende de gehele procedure consistent en vasthoudend aangevoerd dat niet hij de gedraging heeft verricht, maar zijn neef. Hij heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de gedraging vanaf 20:00 uur in het huis van een vriend was voor het verbreken van het vasten. Dit laatste wordt ook verklaard door drie getuigen. Deze verklaringen worden bovendien ondersteund door de informatie dat het vasten die dag om 20:45 uur werd verbroken. Gelet hierop acht het hof de verklaring die de ambtenaar daar tegenover heeft gesteld onvoldoende overtuigend voor de vaststelling dat de gedraging is verricht door de betrokkene. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de identiteit van de betrokkene mede is vastgesteld aan de hand van controlevragen, waarop een neef ook het antwoord zou kunnen weten. De ambtenaar verklaart daarnaast dat de foto op het rijbewijs overeenkwam met de persoon die hij heeft staandegehouden, maar niet is uit te sluiten dat hierin een vergissing is gemaakt, zeker omdat het om een neef van de betrokkene zou gaan en het aannemelijk is dat de betrokkene en zijn neef op elkaar lijken. Het hof betrekt hierbij ook dat de betreffende scooter op naam staat van de moeder van de neef van de betrokkene en dat de gedraging is verricht vlakbij het huis van de neef van de betrokkene. Niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht door de betrokkene. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven.
8. Gelet op het voorgaande zal het hof beslissen als hierna vermeld.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.