Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
Ingeval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, vindt er verrekening van hun vermogens plaats zo, dat ieder van de echtgenoten gerechtigd is tot een waarde gelijk aan die, waartoe hij gerechtigd zou zijn indien tussen de echtgenoten een wettelijke gemeenschap van goederen bestond, zoals die gold op éénendertig december tweeduizend zeventien, zulks met inachtneming van het hierna sub 7 tot en met 9 bepaalde.
4.De omvang van het geschil
- voor recht verklaard dat de vrouw eigenaar is van de zich in de echtelijke woning bevindende inboedel en dat zij uitsluitend nog de zaken aan de man dient af te geven die hij nodig heeft voor zijn persoonlijk gebruik, zoals zijn kleding;
- voor recht verklaard dat partijen voor het overige, waaronder het in de huwelijksvoorwaarden voorkomende finaal verrekenbeding, niets meer van elkaar te vorderen hebben, waarbij de vrouw de in haar verzoekschrift genoemde schulden van € 113.535 en € 201.464, die verband houden met de echtelijke woning, met uitsluiting van de man zal dragen, van welke kwijting zijn uitgezonderd de vordering van de vrouw op de man uit hoofde van de kosten van de huishouding en haar nog nader te bepalen vordering op de man in verband met de cryptomunten;
- bepaald dat de vrouw tegen de man het recht heeft om de echtelijke woning te blijven wonen tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand;
- de beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het meer of anders verzochte afgewezen.