De zaak betreft een geschil over de eigendom van een strook grond waarop een aanbouw is geplaatst die deels over de kadastrale erfgrens van het perceel van appellanten is gebouwd. Geïntimeerden stelden dat zij door bevrijdende verjaring eigenaar zijn geworden van deze strook grond. De rechtbank had een deel van deze vorderingen toegewezen, maar appellanten gingen hiertegen in hoger beroep.
Het hof oordeelde dat geïntimeerden onvoldoende feiten en omstandigheden hadden gesteld om aannemelijk te maken dat zij het bezit van de strook grond hadden verkregen en dat de verjaringstermijn was verstreken. De aangevoerde feiten zoals het dempen van een sloot, het planten van een coniferenhaag, en het gebruik als terras of parkeerterrein waren onvoldoende onderbouwd om bezit aan te nemen.
De vorderingen van geïntimeerden werden daarom alsnog afgewezen en het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het deze vorderingen betrof. Daarnaast werden geïntimeerden veroordeeld tot terugbetaling aan appellanten van hetgeen zij op grond van het bestreden vonnis hadden betaald, vermeerderd met wettelijke rente, en tot betaling van de proceskosten in eerste aanleg en hoger beroep.
De veroordeling tot verwijdering van een schutting bleef in stand omdat daartegen geen hoger beroep was ingesteld. Het arrest werd gewezen door het hof in Leeuwarden op 23 april 2024.