ECLI:NL:GHARL:2024:304

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 januari 2024
Publicatiedatum
15 januari 2024
Zaaknummer
22/390
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hersteluitspraak inzake bewijslevering bij naheffingsaanslag auto reparatie

Op 13 juni 2023 deed het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak in een hoger beroep van belanghebbende tegen de Inspecteur Belastingdienst inzake een naheffingsaanslag. Belanghebbende stelde dat de auto vanaf eind augustus of begin september 2020 ter beschikking stond omdat deze meerdere keren in zijn garage was voor reparatie.

Na de uitspraak wees belanghebbende op een fout in onderdeel 4.6 van het vonnis, waar ten onrechte het jaartal 2000 was vermeld in plaats van 2020. Het hof heeft deze fout hersteld met deze hersteluitspraak van 9 januari 2024.

In de inhoudelijke overwegingen bevestigt het hof dat belanghebbende niet is geslaagd in zijn bewijs dat de auto gedurende een aaneengesloten periode bij zijn garage stond. De verklaringen van de heer [naam1] en het ontbreken van concrete onderliggende stukken zoals urenregistraties of werkagenda’s leiden tot de conclusie dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

De hersteluitspraak corrigeert de jaartallen en verduidelijkt de motivering, waarbij de eerdere uitspraak als verbeterd moet worden gelezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken en een afschrift is digitaal en per post verzonden.

Uitkomst: De naheffingsaanslag is terecht opgelegd en de eerdere uitspraak is hersteld met correcte jaartallen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 22/00390
uitspraakdatum: 9 januari 2024

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

gedaan ter verbetering van de uitspraak van het Hof van 13 juni 2023, op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2021, nummer AWB 21/2411, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Centrale Administratieve Processen/kantoor Apeldoorn(hierna: de Inspecteur).
1.
Ontstaan en loop van het geding
1.1.
Het Hof heeft in deze zaak op 13 juni 2023 uitspraak gedaan (hierna: de uitspraak).
1.2.
Belanghebbende heeft erop gewezen dat in onderdeel 4.6 van de uitspraak ten onrechte bij een aantal daar genoemde data als jaartal ‘2000’ in plaats van ‘2020’ is vermeld. De uitspraak kan bijgevolg niet juist zijn. Het Hof herstelt deze misslag met deze hersteluitspraak.
1.3.
Herstel van deze fout brengt mee dat de tekst van onderdeel 4.6 van de uitspraak als volgt komt te luiden:
“Het Hof is van oordeel dat belanghebbende niet in die bewijslast is geslaagd. Daartoe overweegt het Hof als volgt. Belanghebbende heeft gesteld dat de auto bij zijn garage ter reparatie was aangeboden door de heer [naam1] . Volgens de verklaringen van de heer [naam1] zou de auto vijf tot zes keer in de garage van belanghebbende zijn geweest sinds de problemen met de auto begonnen (begin 2020, volgens de verklaring). De auto zou zes tot acht weken bij de garage zijn gebleven, maar de data waarop weet de heer [naam1] niet meer. De reparaties zijn gefactureerd op 21 oktober 2020. Belanghebbende stelt op basis van het voorgaande dat de auto hem dan vanaf 26 augustus 2020, dan wel 9 september 2020, ter beschikking heeft gestaan. Die verklaring kan het Hof echter niet volgen, nu het feit dat de auto bij vijf tot zes bezoeken in zijn totaliteit zes tot acht weken bij de garage heeft gestaan, niet impliceert dat de auto gedurende een aaneengesloten periode bij de garage heeft gestaan. Deze uitleg strookt ook niet met de verklaring die belanghebbende bij de staandehouding heeft afgelegd. Daar komt bij dat er geen onderbouwend stuk door belanghebbende wordt aangeleverd, zoals (bijvoorbeeld) een urenregistratie of werkagenda aan de hand waarvan een en ander concreet en verifieerbaar zou zijn. Belanghebbende is daarmee niet in zijn tegenbewijs geslaagd, waardoor de conclusie is dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.”
2.
Beslissing
Het Hof verbetert de bovenvermelde fout in de uitspraak op de wijze als hiervoor in onderdeel 1.3 omschreven en verstaat dat de uitspraak aldus verbeterd moet worden gelezen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2024.
De griffier, De voorzitter
(G.J. van de Lagemaat) (R.A.V. Boxem)
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 10 januari 2024.
In de uitspraak van 13 juni 2023 is vermeld op welke wijze een rechtsmiddel kan worden aangewend.