Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),
Het tussenarrest
De beoordeling
In het arrest van 22 december 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:11123) heeft het hof geoordeeld dat onder ''ten tijde van de gedraging'' in artikel 8, aanhef en onder b, van de Wahv moet worden verstaan ''ten tijde van de vaststelling van de gedraging''. Derhalve is van belang of de betrokkene een voor een termijn van ten hoogste drie maanden schriftelijk bedrijfsmatig aangegane huurovereenkomst heeft overgelegd waaruit blijkt wie op 28 mei 2022, om 17.46 uur, de huurder van het in overweging 1 genoemde voertuig was.
“Huur is de overeenkomst waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie.”
“2.3.1. Een individuele huurovereenkomst begint vanaf het moment dat u de E-scooter ontgrendelt in de app van [de betrokkene] om de rit te starten en eindigt zodra u de optie ‘rit beëindigen’ selecteert, gevolgd door een automatische bevestiging dat de rit is beëindigd, zoals aangegeven in de app van [de betrokkene] . De individuele huurovereenkomst wordt pas beëindigd beschouwd i) na ontvangst van de bevestiging dat de rit is beëindigd en ii) na het voldoen aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 2.6.3 zoals aangetoond op de wijze als omschreven in 2.6.4. Als u de E-scooter van [de betrokkene] achterlaat zonder de Bevestiging einde rit te hebben ontvangen, blijft de individuele huurovereenkomst van kracht en bent u verplicht om dienovereenkomstig te betalen voor het gebruik van onze diensten, behalve als het feit dat u geen Bevestiging einde rit hebt ontvangen het gevolg is van een situatie buiten uw redelijke controle, in welk geval u pro rata temporis wordt vergoed voor eventuele extra kosten die zijn betaald voor het gebruik van onze diensten.
30 andere scooters.”
De gemachtigde heeft er tenslotte op gewezen dat de ambtenaar niet het juiste sanctiebedrag heeft bepaald. Deze grond treft doel. Uit de gegevens blijkt dat het betreffende voertuig een bromfiets is. Het hof stelt vast dat de ambtenaar ten onrechte het sanctiebedrag van € 150,-, voor categorie weggebruiker 2 ‘bestuurders van motorvoertuigen op twee wielen’ heeft toegepast. De ambtenaar had het in de bijlage als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wahv genoemde sanctiebedrag dat geldt voor categorie 3 ‘bromfietsers en snorfietsers’, te weten € 100,-, dienen toe te passen. Het hof zal het bedrag van de sanctie daarom vaststellen op € 100,-.
Het vorenstaande leidt tot de onderstaande beslissing.
artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de vaststelling van de proceskostenvergoeding worden de onderhavige zaak en de zaken met de nummers Wahv 200.333.710 en Wahv 200.333.825 daarom beschouwd als één zaak. Nu voor het eerst in hoger beroep is aangevoerd dat het onjuiste sanctiebedrag is toegepast, terwijl niet is gebleken dat de gemachtigde deze grond niet eerder in de procedure heeft kunnen aanvoeren, ziet het hof aanleiding de vergoeding van proceskosten te beperken tot de procedure van het hoger beroep. Aan het indienen van het hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting van het hof dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.