Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekers in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoekers stonden onder bewind en vorderden schadevergoeding wegens vermeende toerekenbare tekortkomingen van de bewindvoerder, met name omtrent het niet tijdig betalen van hypotheekrente en de verkoop van hun woonark.
De kantonrechter had de bewindvoerder reeds veroordeeld tot betaling van een deel van de schade wegens fouten bij het aanvragen van bijzondere bijstand, maar wees overige vorderingen af. Verzoekers gingen in hoger beroep tegen deze afwijzing, terwijl de bewindvoerder incidenteel hoger beroep instelde tegen de vastgestelde tekortkoming omtrent hypotheekrente.
Het hof onderzocht de financiële situatie van verzoekers en concludeerde dat er geen budget was om de hypotheekrente te voldoen in de jaren 2012 tot november 2014, mede door loonbeslagen en hoge schulden. De bewindvoerder had prioriteiten gesteld binnen de beperkte middelen, wat niet als toerekenbare tekortkoming kon worden aangemerkt.
Ook oordeelde het hof dat de verkoop van de woonark onvermijdelijk was gezien de financiële situatie, en dat de bewindvoerder niet tekortgeschoten was. De eerdere beschikking werd bekrachtigd, met een aanvullende vaststelling dat het langdurig niet betalen van hypotheekrente niet aan de bewindvoerder kon worden toegerekend. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en stelt vast dat het niet betalen van hypotheekrente geen toerekenbare tekortkoming van de bewindvoerder is.