De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 400,- voor: “als bestuurder met een motorvoertuig of als een brom- of snorfietser onnodig geluid veroorzaken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 19 september 2021 om 15:42 uur op de Dierensteinweg in Barendrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De officier van justitie heeft het sanctiebedrag gematigd naar € 250,-, te weten het door de regelgever per 1 maart 2022 voor gedragingen als de onderhavige vastgestelde sanctiebedrag en de betrokkene een proceskostenvergoeding toegekend.
3. De gemachtigde van de betrokkene wijst erop dat de kantonrechter in zijn beslissing overweegt dat de officier van justitie het sanctiebedrag heeft gewijzigd naar € 27,-. De gemachtigde stelt dat op grond van het vertrouwensbeginsel nu ervan mag worden uitgegaan dat het sanctiebedrag dienovereenkomstig is aangepast.
4. De kantonrechter heeft in de beslissing voorafgaand aan de beoordeling van de zaak het procesverloop in de onderhavige procedure beschreven. In deze uiteenzetting heeft de kantonrechter aangegeven dat de officier van justitie het sanctiebedrag heeft gematigd, omdat het sanctiebedrag voor de betreffende gedraging per 1 maart 2022 is gewijzigd. Het hof acht het, gegeven die omstandigheid en het feit dat de beslissing van de officier van justitie aan de gemachtigde op de voorgeschreven wijze kenbaar is gemaakt, evident dat het in dat verband vermelde bedrag van € 27,- een kennelijke misslag is. Van een gerechtvaardigd opgewekt vertrouwen dat er sprake is van een verdergaande matiging van het sanctiebedrag kan derhalve geen sprake zijn. De aangevoerde grond faalt.
5. De gemachtigde van de betrokkene voert daarnaast aan dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat de ingebrekestelling van de officier van justitie prematuur was omdat de beslistermijn bij brief van 9 mei 2022 tijdig met tien weken is verlengd. Deze brief heeft hij echter nooit ontvangen, aldus de gemachtigde.
6. Op grond van artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat in deze procedure naar analogie van toepassing is, wordt de omvang van het geding bepaald door de indiener van het beroep. Het hof stelt vast dat de gronden in het beroepschrift van de gemachtigde in het kader van de procedure bij de kantonrechter zich beperken tot de beslissing van de officier van justitie, voor zover daarin wordt gesteld dat de gedraging op grond van de stukken kan worden vastgesteld. Dit betekent dat de kantonrechter door het in de beslissing opnemen van overwegingen met betrekking tot de ingebrekestelling van de officier van justitie door de gemachtigde buiten de omvang van het geding is getreden, hetgeen in strijd is met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat het hof de beslissing van de kantonrechter zal vernietigen, voor zover betrekking hebbende op de de te verbeuren dwangsom. Dit betekent dat deze grond aldus geen nadere bespreking meer behoeft.
7. De gemachtigde van de betrokkene voert verder nog aan dat de officier van justitie de toegekende proceskostenvergoeding onjuist heeft vastgesteld. Er heeft twee keer een telefonische hoorzitting plaatsgevonden, terwijl slechts voor één hoorzitting een proceskostenvergoeding is toegekend.
8. Op basis van het dossier stelt het hof het volgende vast:
in de als bijlage bij administratief beroepschrift van 4 januari 2022 gevoegde brief heeft de
gemachtigde te kennen gegeven dat hij in de gelegenheid wenst te worden gesteld om in het kader
van dit beroep te worden gehoord;
- na daartoe bij brief van 16 februari 2022 van de officier van justitie te zijn uitgenodigd, is de gemachtigde op 7 maart 2022 telefonisch gehoord;
- naar aanleiding hetgeen door de gemachtigde tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht, heeft de officier van justitie de ambtenaar bij schrijven van 14 maart 2022 verzocht een aanvullend
proces-verbaal op te maken;
na ontvangst van het aanvullend proces-verbaal is de gemachtigde door middel van een op 5 april 2022 verzonden uitnodiging op 3 mei 2022 voor een tweede maal telefonisch gehoord.
9. De vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft, zoals hiervoor weergegeven, de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, tweemaal een hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie.
10. Het hof is van oordeel dat de officier van justitie ten onrechte geen proceskostenvergoeding heeft toegekend voor de tweede telefonische hoorzitting. Dit in weerwil van de vaste jurisprudentie van het hof. Het hof zal doen hetgeen de officier van justitie had behoren te doen.
11. Aan het indienen van het administratief beroepschrift dient een punt te worden toegekend. De gemachtigde is tweemaal telefonisch door de officier van justitie gehoord. Aan de eerste telefonische hoorzitting dient 1 punt te worden toegekend. Het hof kent, gelet op onderdeel A5 van de Bijlage bij het Bpb, 0,5 punt toe voor de tweede hoorzitting. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning dienen, volgens vaste jurisprudentie, met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb, de voor het horen door de officier van justitie toegekende punten te worden gehalveerd. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. De proceskostenvergoeding voor de fase van het administratief beroep komt daarmee op € 546,- (= 1,75 x € 624,- x 0,5).
12. Naar het oordeel van het hof bestaat in casu aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding in hoger beroep. De gemachtigde heeft het rechtsmiddel van hoger
beroep moeten aanwenden om alsnog de juiste door de officier van justitie toegekende
proceskostenvergoeding vastgesteld te krijgen.
13. Aan het indienen van het hoger beroepschrift moet een punt worden toegekend. Aan het indienen van de nadere toelichting op het hoger beroep wordt een half punt toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het hoger beroep € 875,-. Nu het onderhavige geschil in hoger beroep slechts betrekking heeft op de hoogte van de door de officier van justitie toegekende proceskosten-vergoeding, wordt voor de vaststelling van de vergoeding voor de in hoger beroep gemaakte proceskosten de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 328,13 (= 1,5 x € 875,- x 0,25).
14. Het voorgaande leidt tot na te melden beslissing.