ECLI:NL:GHARL:2024:347

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 januari 2024
Publicatiedatum
16 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.329.004/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onvoldoende onderbouwing staandehouding vrachtwagen op A7

De betrokkene kreeg een sanctie van €250 opgelegd wegens het negeren van een inhaalverbod voor vrachtauto’s op de A7. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarbij werd aangenomen dat een staandehouding vanwege veiligheidsrisico’s niet mogelijk was.

De gemachtigde voerde aan dat de ambtenaar de vrachtwagen had moeten begeleiden naar een veilige plek zoals een afrit of tankstation, omdat dit mogelijk was. Artikel 5 Wahv Pro vereist dat de bestuurder wordt staande gehouden om zijn identiteit vast te stellen, tenzij dat niet reëel mogelijk is.

Het hof oordeelt dat de ambtenaar wel inzichtelijk maakte waarom staandehouding op de A7 gevaarlijk is, maar niet waarom het voor de hand liggende alternatief van begeleiding naar een afrit niet is gekozen. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat staandehouding onmogelijk was, en wordt de sanctiebeschikking vernietigd.

De proceskosten worden aan de advocaat-generaal opgelegd en vergoed aan de betrokkene. Het arrest is gewezen door mr. Sekeris en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van het niet toepassen van het alternatief van begeleiding naar een afrit.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.329.004/01
CJIB-nummer
: 247268120
Uitspraak d.d.
: 16 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 9 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “negeren van een inhaalverbod vrachtauto’s: bord F3”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 januari 2022 om 13.22 uur op de A7 in Oudendijk met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat ten onrechte een staandehouding van de bestuurder van het voertuig achterwege is gelaten. De ambtenaar die zich in een dienstvoertuig bevond, had de desbetreffende vrachtwagen een volgteken moeten geven en behoren te begeleiden naar een veilige plek, zoals een afrit of een tankstation. Het is namelijk prima mogelijk om naar het dichtstbijzijnde tankstation, in dit geval BP Kruisoord, te rijden of een afslag te nemen, aldus de gemachtigde.
3. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat het een permanent ingesteld inhaalverbod betrof. (…)
Reden geen staandehouding: i.v.m. gevaarzetting vluchtstrook A7 geen staandehouding.”
5. Voorts bevindt zich in het dossier een aanvullend proces-verbaal d.d. 29 maart 2022. Hierin verklaart de ambtenaar:
“Bij het staande houden van een vrachtwagen op de A7 staat de vrachtauto heel dicht op rijstrook 2. Hierdoor wordt er een zeer onveilige werkomgeving gecreëerd voor zowel de verbalisant en het overige verkeer. De kans op een aanrijding is derhalve niet uitgesloten, omdat het overige verkeer wordt afgeleid. Het komt regelmatig voor dat Rijkswaterstaat rijstrook 2 gaat afkruisen om een veilig verkeersbeeld te creëren, wat vervolgens voor filevorming en afleiding zorgt. Ik, verbalisant, kies er dan ook voor om op bepaalde punten van de A7 geen staandehouding te doen met een vrachtwagen. Als er echter een plaats is waar dit wel veilig kan, dan zal ik een staandehouding niet laten, ook om de chauffeur op zijn verantwoordelijkheid te wijzen en een bekeuring aan te zeggen.”
6. De kantonrechter heeft overwogen:
“In een aanvullend proces-verbaal heeft de verbalisant toegelicht dat bij het staande houden van een vrachtwagen op de A7 de vrachtauto heel dicht op rijstrook 2 staat. Hierdoor wordt er een zeer onveilige werkomgeving gecreëerd voor zowel de verbalisant als het overige verkeer. Aldus biedt de verklaring van de verbalisant voldoende grond voor het oordeel dat zich in het onderhavige geval geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Daarbij weegt voor de kantonrechter ook mee dat een staandehouding van een vrachtwagen op zo’n smalle vluchtstrook als bij de A7 filevorming kan veroorzaken, omdat de tweede rijstrook gedeeltelijk moet worden afgesloten. Bovendien heeft gemachtigde van betrokkene de stelling dat staandehouding wel mogelijk was, omdat er verderop een afslag is of een tankstation onvoldoende concreet gemotiveerd. De verbalisant mocht daarom in dit geval volstaan met het bekeuren op kenteken.”
7. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat de verklaring van de ambtenaar inzichtelijk maakt waarom het staande houden van een bestuurder van een vrachtwagen op de A7 gevaarlijk kan zijn. De kantonrechter heeft evenwel niet onderkend dat de ambtenaar geen op de onderhavige zaak toegespitste verklaring geeft voor het voor de hand liggende alternatief waarbij de betrokken vrachtwagen wordt begeleid naar de eerstvolgende afrit voor een staandehouding van de bestuurder van het betrokken voertuig. Nu derhalve niet kan worden vastgesteld dat er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, kan de inleidende beschikking niet in stand blijven.
8. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift dienen in totaal vier punten te worden toegekend. Het hof zal, met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor het telefonisch horen in administratief beroep een half punt toekennen. De waarde per punt bedraagt voor het administratief beroep € 624,- en voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.780,50 (= (1,5 x € 624,- x 0,5) + (3 x € 875,- x 0,5)).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.780,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.