De veroordeelde werd in België veroordeeld tot een vrijheidsbenemende maatregel, opgelegd door de Rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Tongeren, die residentiële plaatsing in een beveiligde, gesloten psychiatrische inrichting voorschreef. Vanwege het ontbreken van passende voorzieningen in België werd de uitvoering van deze maatregel overgedragen aan Nederland, waar de maatregel werd omgezet in een PIJ-maatregel.
De veroordeelde stelde bezwaar tegen deze omzetting en voerde aan dat de PIJ-maatregel een strafverzwaring inhoudt, omdat deze kan worden verlengd en de oorspronkelijke Belgische maatregel tot gesloten plaatsing in een gemeenschapsinstelling beperkt was tot de leeftijd van twintig jaar. Het openbaar ministerie betoogde dat de veroordeelde niet ontvankelijk is in zijn verzoek tot heroverweging en dat de omzetting geen strafverzwaring oplevert.
Het hof overwoog dat de Belgische rechter een maatregel tot residentiële plaatsing oplegde en dat het certificaat van de Belgische autoriteiten deze uitleg bevestigt. Het hof stelde vast dat de omzetting naar een PIJ-maatregel geen strafverzwaring inhoudt, mede omdat de Belgische maatregel geen maximale looptijd kent en de PIJ-maatregel aansluit bij de bedoeling van de Belgische rechter.
Daarom ziet het hof geen reden om het eerdere oordeel te herzien en bevestigt het de omzetting van de maatregel zonder strafverzwaring. Het verzoek tot herziening wordt afgewezen.