ECLI:NL:GHARL:2024:3552
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Hof verklaart bezwaar gegrond tegen overdracht gevangenisstraf aan Polen wegens ontbreken instemming veroordeelde
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Gelderland veroordeeld tot tien jaar gevangenisstraf wegens doodslag. De Minister voor Rechtsbescherming had het voornemen om het vonnis aan de Poolse autoriteiten te zenden voor verdere tenuitvoerlegging van de straf in Polen. De veroordeelde maakte bezwaar tegen dit voornemen en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn beslissing in Nederland te mogen afwachten.
De veroordeelde heeft geen instemming gegeven voor toezending van het vonnis aan Polen en betoogde dat hij geen wezenlijke binding met Polen heeft, aangezien hij het land 25 jaar geleden verliet en sindsdien niet meer woonde in Polen. Tevens vreesde hij onmenselijke detentieomstandigheden in Polen, onderbouwd met een rapport van het Europees Comité ter Preventie van Foltering (CPT).
De advocaat-generaal adviseerde het bezwaar ongegrond te verklaren, stellende dat de detentieomstandigheden in Polen niet zodanig zijn dat overdracht niet mogelijk is en dat de Minister garanties kan bedingen. Het hof oordeelde echter dat op grond van artikel 2:26 WETVVS Pro geen sprake is van een situatie waarin toezending zonder instemming van de veroordeelde kan plaatsvinden. Bovendien is de uitzetting naar Polen op dit moment niet mogelijk vanwege lopend bezwaar tegen de staatssecretaris’ beschikking tot ongewenstverklaring.
Het hof verklaarde het bezwaar gegrond en bepaalde dat de Minister niet in redelijkheid tot de voorgenomen overdracht kon besluiten. Dit laat onverlet dat de Minister bij afwijzing van het bezwaar een nieuwe procedure kan starten. De uitspraak is gegeven door de kamer van het hof op 27 mei 2024.
Uitkomst: Het hof verklaart het bezwaar gegrond en voorkomt toezending van het vonnis aan Polen wegens ontbreken van instemming veroordeelde.