Partijen zijn gehuwd geweest en het huwelijk is in 2013 ontbonden. Bij eerdere uitspraken is de man veroordeeld tot betaling van partneralimentatie en vermogensrechtelijke vorderingen aan de vrouw. De vrouw vorderde bij de voorzieningenrechter lijfsdwang om de man te dwingen tot betaling van openstaande alimentatie en andere vorderingen, maar dit werd afgewezen.
In hoger beroep heeft het hof overwogen dat lijfsdwang alleen kan worden toegepast voor alimentatievorderingen en niet voor vermogensrechtelijke vorderingen. De vrouw had een achterstallige alimentatievordering van €129.289,44, die niet door andere dwangmiddelen kon worden geïnd omdat executie op aandelen in een holding geen resultaat opleverde.
Het hof woog het belang van de vrouw bij ontvangst van alimentatie tegen het belang van de man op persoonlijke vrijheid. De man voldeed sinds 2015 niet vrijwillig aan zijn verplichtingen, gaf onvoldoende financiële openheid en leefde een luxe levensstijl. Het hof oordeelde dat het belang van de vrouw zwaarder weegt en stond lijfsdwang toe voor een termijn van 365 dagen, met een aanvang na 28 dagen om vrijwillige betaling mogelijk te maken.
De man werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beide instanties. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.