ECLI:NL:GHARL:2024:3607

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 mei 2024
Publicatiedatum
28 mei 2024
Zaaknummer
Wahv 200.335.853/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 62 RVV 1990Art. 20 RVV 1990Art. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie wegens overschrijding redelijke termijn in verkeersboetezaak

Betrokkene werd een sanctie opgelegd van €164 wegens 13 km/u te hard rijden binnen de bebouwde kom. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenvergoeding af. Betrokkene ging in hoger beroep bij het hof Arnhem-Leeuwarden.

Het hof oordeelt dat de redelijke termijn van berechting, aanvangend op 30 januari 2021, is overschreden. Hoewel de gemachtigde enige vertraging veroorzaakte, was deze niet van dien aard dat de overschrijding niet zou gelden. De periode tussen zittingen van juni 2022 tot oktober 2023 bedroeg meer dan 16 maanden, waarvan slechts een klein deel aan de gemachtigde kan worden toegerekend.

Daarom matigt het hof de sanctie met 25%. Tevens worden proceskosten van €875 vergoed, zowel voor de fase bij de kantonrechter als in hoger beroep. De beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie wordt gegrond verklaard. De sanctie wordt verminderd tot €123.

De aanwezigheid van verkeersborden werd betwist, maar het hof bevestigt dat de overtreding betrekking had op het bord A1 en niet op bord H1, waardoor het verweer faalt. Het arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in openbare zitting.

Uitkomst: De sanctie wordt gematigd met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten worden toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.853/01
CJIB-nummer
: 239034814
Uitspraak d.d.
: 28 mei 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 26 oktober 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 6 maart 2024 is nog een brief van de gemachtigde ontvangen. Een kopie daarvan is toegestuurd aan de advocaat-generaal.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 164,- voor: “13 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom terwijl 30 km per uur is toegestaan (verkeersbord A1)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 januari 2021 om 13:33 uur op de Haarsteegsestraat in Haarsteeg met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene op de opgegeven door hem gereden route geen bord H1 is gepasseerd. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat de aanwezigheid van de bebording, gelet op de aanwezigheid van de ambtenaar bij de controle, kan worden aangenomen. Wellicht kan de aanwezigheid van het bord A1 worden aangenomen omdat de ambtenaar ter plaatse was, maar dat geldt niet voor het bord H1. De aanwezigheid van dat bord is relevant omdat de gedraging het overschrijden van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom betreft, aldus de gemachtigde.
3. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met bord A1, zo staat ook in het zaakoverzicht vermeld. Er was dus geen sprake van overtreding van de gedragsregel dat binnen de bebouwde kom een maximumsnelheid geldt van 50 km/u (artikel 20, aanhef en onder a, van het RVV 1990). Dat betekent dat aan (de al dan niet aanwezigheid van) het bord H1 hier geen betekenis toekomt. De grond van de gemachtigde treft geen doel.
4. De gemachtigde van de betrokkene wijst er daarnaast op dat de kantonrechter ten onrechte niet tot matiging van het bedrag van de sanctie met 25% is overgegaan wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechtiging als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De sanctie is opgelegd op
30 januari 2021. Betrokkene heeft op 5 maart 2021 beroep ingesteld bij de officier van justitie.
Op 19 oktober 2021 wordt uiteindelijk een beslissing genomen. De wettelijke beslistermijn is door de officier van justitie ten volle benut. Op 11 november 2021 wordt beroep bij de kantonrechter ingesteld. Op 8 februari 2022 wordt een ontvangstbevestiging verstuurd. Vervolgens stuurt de griffier van de rechtbank een uitnodiging voor de zitting op 23 juni 2022. In reactie daarop vult betrokkene de gronden aan op 20 juni 2022. De behandeling van de zaak wordt desondanks ter zitting aangehouden om de gemachtigde in de gelegenheid te stellen aanvullende gronden in het geding te brengen. Op
6 februari 2023 wordt de zaak opnieuw ter zitting behandeld, waar de officier van justitie aangeeft de aanvullende gronden niet te hebben ontvangen. De behandeling van de zaak wordt op verzoek van de officier van justitie aangehouden. Vervolgens wordt de zaak op 26 oktober 2023 ter zitting behandeld en doet de kantonrechter uitspraak. Gegeven het verloop van de procedure wordt de oorzaak van de lange duur van deze procedure ten onrechte bij de gemachtigde gelegd, aldus de gemachtigde.
5. De kantonrechter heeft hieromtrent het volgende overwogen:
“Ten aanzien van de redelijke termijn overweegt de rechtbank als volgt. Door gemachtigde is in eerste
instantie op 11 november 2021 pro forma beroep ingediend, waarbij wordt verzocht om toezending van
het dossier en een nadere termijn voor het indienen van gronden. Uit het dossier blijkt dat het parket
CVOM het zaakoverzicht al aan de gemachtigde heeft toegestuurd, zodat hij in principe al het dossier in
bezit had. De aanvullende gronden zijn op 20 juni 2022 verzonden. De eerste behandeling heeft plaats gevonden op 23 juni 2022. De redelijke termijn was op dat moment nog niet verstreken. De kantonrechter
was toen niet in het bezit van de gronden. Gemachtigde had eerder zijn aanvullende gronden in kunnen
dienen, nu het oorspronkelijke pro forma beroep al op 11 november 2021 is ingediend. De kantonrechter is
van oordeel dat het in onderhavige zaak aan gemachtigde is te wijten dat de redelijke termijn is verstreken.”
6. Het hof stelt vast dat de kantonrechter bij de beoordeling van de duur van de redelijke termijn van berechting het procedeergedrag van de gemachtigde in aanmerking genomen. Het hof begrijpt de kantonrechter aldus dat door de handelwijze van de gemachtigde de redelijke termijn van berechting dermate is verlengd dat in dit geval geen sprake is van overschrijding van die termijn.
7. Het hof overweegt in dat verband als volgt. In het arrest van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369 heeft het hof het volgende overwogen:
“12. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank.(…) De redelijke termijn van berechting kan langer zijn indien de duur van de procedure in overwegende mate aan de betrokkene of diens gemachtigde is toe te rekenen.”
8. De redelijke termijn van berechting is in dit geval aangevangen met de verzending van de inleidende beschikking aan de betrokkene op 30 januari 2021. Na de beslissing van de officier van justitie op 27 oktober 2021 op het administratief beroep heeft de gemachtigde op 11 november 2021 beroep ingesteld bij de kantonrechter. Daarbij heeft de gemachtigde verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Hierop wordt de gemachtigde bij brief van 22 mei 2022 uitgenodigd om op 23 juni 2022 ter zitting van de kantonrechter te verschijnen en desgewenst een nader toelichting te geven. De gemachtigde dient vervolgens bij brief van 20 juni 2022 een aanvullend beroepschrift in. Op 23 juni 2022 beslist de kantonrechter ter zitting om de behandeling van de zaak aan te houden, teneinde de gemachtigde - nu de gemachtigde daar in het beroepschrift om heeft verzocht - in de gelegenheid te stellen om binnen vier weken na verzending van de beslissing beroepsgronden in het geding te brengen. Naar het hof begrijpt was de reden daarvoor dat de kantonrechter op dat moment kennelijk niet beschikte over het aanvullend beroepschrift van de gemachtigde. Deze beslissing wordt op 10 augustus 2022 aan de gemachtigde verzonden. Vervolgens wordt de zaak ter zitting van de kantonrechter van 6 februari 2023 behandeld. Omdat de officier van justitie ter zitting aangeeft geen aanvullende gronden te hebben ontvangen wordt de behandeling van de zaak wederom door de kantonrechter aangehouden, met de bepaling dat de griffie van de rechtbank de (eerder ingediende) beroepsgronden aan de officier van justitie zal verstrekken. Aansluitend wordt de gemachtigde bij brief van 22 september 2023 uitgenodigd om op
26 oktober 2023 ter zitting van de kantonrechter te verschijnen. Ter zitting van 26 oktober 2023 beslist de kantonrechter op het beroep.
9. Het hof is van oordeel dat, gelet op het hiervoor weergegeven procesverloop, sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Anders dan de kantonrechter kennelijk heeft geoordeeld is de redelijke termijn van berechting door de handelwijze van de gemachtigde niet dermate verlengd dat in dit geval geen sprake is van overschrijding van die termijn. Wellicht kan het zeer kort voor de zitting van
23 juni 2022 toesturen van het aanvullend beroepschrift tot enige (onnodige) vertraging in de afdoening van de zaak hebben geleid en aan de gemachtigde worden toegerekend, maar die vertraging is niet van dien orde dat daardoor de conclusie is gerechtvaardigd dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting. Het hof wijst er in dat verband op dat tussen de zittingen van 23 juni 2022 en 26 oktober 2023 een periode van meer dan 16 maanden is verstreken terwijl slechts een zeer beperkt deel daarvan - in ieder geval niet ruim 9 maanden - aan de gemachtigde kan worden toegerekend.
10. Nu de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023).
11. Het hof zal als volgt beslissen.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter dient een punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
13. Ook de proceskosten gemaakt in hoger beroep komen voor vergoeding in aanmerking, nu de betrokkene hoger beroep heeft moeten instellen om inhoudelijk in het gelijk te worden gesteld. Aan het indienen van het hoger beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast.
14. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-
(= 2 x € 875,- x 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 123,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.