Belanghebbenden zijn gezamenlijk eigenaar van een rijksmonumentaal kantoorpand in het centrum van een gemeente. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarden voor 2019 en 2020 vast op respectievelijk €345.000 en €352.000, waartegen belanghebbenden bezwaar maakten. De rechtbank verklaarde hun beroepen ongegrond. In hoger beroep betoogden belanghebbenden dat de toestandsdatum voor de waardebepaling op 1 januari 2019 had moeten liggen vanwege bestemmingsplanwijzigingen die de horecavoorzieningen in de omgeving verruimden.
Het Hof oordeelde dat hoewel de bestemmingsplanwijzigingen een bijzondere omstandigheid vormen, belanghebbenden onvoldoende concreet bewijs leverden dat dit tot een waardeverandering leidde. De heffingsambtenaar gebruikte de huurwaardekapitalisatiemethode, maar kon de gehanteerde huurwaarde van €40.881 niet aannemelijk maken vanwege het ontbreken van onderliggende staffels en het verschil in gebruiksoppervlakte met vergelijkingspanden. Belanghebbenden konden hun lagere huurwaarden ook niet onderbouwen. Het Hof stelde daarom de WOZ-waarden in goede justitie vast op €335.000 voor 2019 en €342.000 voor 2020.
Daarnaast stelde het Hof vast dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op de beroepen tegen de OZB-aanslagen 2019 en 2020. Deze aanslagen werden dienovereenkomstig verminderd. Het Hof kende belanghebbenden een proceskostenvergoeding van €42,76 toe en verordonneerde vergoeding van het griffierecht van €136 door de heffingsambtenaar.