AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie voor handelen in strijd met geslotenverklaring zonder expeditieverkeer
De betrokkene werd gesanctioneerd voor het handelen in strijd met een geslotenverklaring op 2 juni 2020. De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. De betrokkene stelde dat de tussenbeslissing niet correct was verzonden en dat zekerheid inmiddels was gesteld.
Het hof oordeelde dat de kantonrechter niet handelde conform het vereiste draagkrachtverweer en vernietigde diens beslissing. Het hof behandelde het beroep zelf en concludeerde dat geen sprake was van expeditieverkeer, zoals vereist voor een uitzondering op de geslotenverklaring. De sanctie werd daarom gehandhaafd maar met 25% gematigd vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
Daarnaast werd de proceskostenvergoeding aan de betrokkene toegekend. De wijziging van de feitcode naar een algemene geslotenverklaring voor fietsers werd afgewezen omdat deze niet van toepassing was. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in Leeuwarden op 3 juni 2024.
Uitkomst: De sanctie wegens handelen in strijd met een geslotenverklaring wordt gematigd tot €71,25 en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wordt vernietigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.223/01
CJIB-nummer
: 233954618
Uitspraak d.d.
: 3 juni 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 6 oktober 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. B. de Jong, kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt dat hij niet bekend is met de tussenbeslissing. De tussenbeslissing zou zijn verzonden naar het kantooradres van de gemachtigde, terwijl bij het instellen van het pro forma beroep een correspondentieadres is opgegeven. Daarnaast zit in het dossier een losse track & trace code, maar volgens de gemachtigde is de code niet vindbaar. De kantonrechter heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en diens beslissing kan dan ook niet in stand blijven, aldus de gemachtigde. Er is inmiddels zekerheid gesteld en de gemachtigde verzoekt het hof om zelf in de zaak te voorzien.
3. Het hof stelt vast dat in de procedure bij de kantonrechter een draagkrachtverweer is gevoerd.
4. Artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
5. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of stelt hij het bedrag op nihil en behandelt het beroep zonder dat zekerheid is gesteld. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
6. In het dossier bevindt zich de tussenbeslissing van de kantonrechter van 28 april 2023. Bij deze beslissing heeft de kantonrechter de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken na de datum van de verzending van die beslissing alsnog volledige zekerheid te stellen. In het midden latend of die beslissing daadwerkelijk is verzonden betreft het adres op de brief niet het in beroep bij de kantonrechter genoemde correspondentieadres van de gemachtigde (postbus 182, 2800 AD Gouda). Voor de juiste verzending van stukken is het adres dat een betrokkene of gemachtigde opgeeft, leidend. Dit betekent dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene een nadere termijn is geboden om alsnog zekerheid te stellen.
7. Nu het ervoor moet worden gehouden dat de kantonrechter niet heeft gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 5. is overwogen, dient de beslissing van de kantonrechter te worden vernietigd. Nu de betrokkene de behandeling van het beroep door het hof zelf verlangt en uit het door de advocaat-generaal overgelegde zaakoverzicht blijkt dat inmiddels zekerheid is gesteld, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de rechtbank maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
8. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Bij die beschikking is aan de betrokkene een sanctie van € 95,- opgelegd voor: “R550a - als bestuurder handelen in strijd met een geslotenverklaring in beide richtingen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 juni 2020 om 15:45 uur op de locatie Zijde in Boskoop met een personenauto met het kenteken [kenteken] .
9. De gemachtigde voert aan dat de ambtenaar zich er niet van heeft vergewist of sprake was van ‘expeditieverkeer’. Daarnaast is volgens de gemachtigde sprake van een algemene geslotenverklaring, bestemd voor (brom)fietsers, zodat feitcode R550b toegepast had moeten worden.
10. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
11. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de weg werd gebruikt terwijl deze in beide richtingen gesloten is, zoals ter plaatse aangeduid middels bord C1 RVV 1990, welke was voorzien van een onderbord. De uitzondering(en), genoemd op het (onder)bord, was (waren) niet van toepassing. (…) Verklaring betrokkene: ik dacht dat ik hier wel af mocht slaan.”
12. In het aanvullend proces-verbaal van 27 mei 2021 verklaart de ambtenaar -voor zover hier van belang- nog het volgende:
“Aan het begin, naar de onderdoorgang, zijde de Zijde, staat zowel links als rechts een verkeerspaal met daarop bevestigd een verkeersbord conform model C1 RVV 1990. Het verkeersbord C1 aan de rechterzijde heeft een onderbord met daarop 2 afbeeldingen, van een bromfiets en een fiets. Onder deze afbeeldingen staat het woord uitgezonderd. Het verkeersbord C1 aan de linkerzijde heeft een onderbord met daarop de tekst ‘uitgezonderd expeditieverkeer’. (…) In de door [de betrokkene] afgelegde verklaring hoorde ik betrokkene [de betrokkene] alleen zeggen dat hij dacht dat het mocht. Ik hoorde betrokkene niet zeggen dat hij goederen weg moest brengen dan wel op moest halen. (…) Gezien de door betrokkene [de betrokkene] gevolgde route en de afstand tussen de ‘onderdoorgang’ en de plaats waar hij zijn personenauto uit eigener beweging parkeerde, is er volgens mij geen sprake geweest van ‘expeditieverkeer’.”
13. Bij het aanvullend proces-verbaal heeft de ambtenaar een foto bijgesloten van de aanwezige bebording en daarnaast heeft hij op een Google Maps kaartje de door de betrokkene gevolgde rijrichting aangegeven.
14. De ambtenaar heeft duidelijk verklaard dat de betrokkene niet heeft verklaard dat hij goederen weg moest brengen of op moest halen. Het had op de weg van de betrokkene gelegen om de ambtenaar daar direct bij de staandehouding op te attenderen. In samenhang bezien met de door de betrokkene afgelegde route, is er naar het oordeel van het hof geen sprake geweest van ‘expeditieverkeer’.
15. Wat betreft de wijziging van de feitcode die de gemachtigde voorstelt, merkt het hof het volgende op. Feitcode R550b betreft het handelen in strijd met een geslotenverklaring voor bepaalde categorie voertuigen, zoals taxi’s of bussen. Dat is in de onderhavige zaak niet aan de orde, nu enkel fietsers en bromfietsers werden uitgesloten. De grond treft aldus geen doel.
16. Het hof stelt met de gemachtigde vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is op 2 juni 2020 staandegehouden en de kantonrechter heeft op 6 oktober 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met
25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
17. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).
18. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie worden gewijzigd in
€ 71,25;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.