Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
- de moeder, met haar advocaat;
- de vader, met zijn advocaat, en
- een vertegenwoordiger van de GI.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter die de ondertoezichtstelling van een minderjarige heeft verlengd tot 8 november 2024. De moeder is tegen deze verlenging in beroep gegaan met vijf grieven, terwijl de vader en de gecertificeerde instelling (GI) verweer voeren en de verlenging wensen te handhaven.
De minderjarige, geboren in 2014, staat onder gezamenlijk gezag van de ouders en heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. De ondertoezichtstelling is reeds in 2021 ingesteld en meerdere malen verlengd. Het hof heeft na eigen onderzoek vastgesteld dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog steeds aanwezig is, mede doordat het contact tussen de minderjarige en haar vader problematisch blijft en de moeder een belemmerende rol speelt.
Het hof benadrukt het belang van professionele hulpverlening, zowel voor de minderjarige als voor de ouders, en wijst erop dat vrijwillige hulpverlening niet voldoende is gebleken. De moeder ervaart zelf ook psychische klachten, waarvoor hulpverlening noodzakelijk is. Het hof verlangt dat de moeder zonder nadere voorwaarden gaat samenwerken met de GI in het belang van de minderjarige.
Op grond van artikel 1:260 lid 1 in Pro samenhang met artikel 1:255 lid 1 BW Pro bekrachtigt het hof de bestreden beschikking van de kinderrechter en verlengt daarmee de ondertoezichtstelling met een jaar.
Uitkomst: De verlenging van de ondertoezichtstelling van de minderjarige tot 8 november 2024 wordt bekrachtigd.