Partijen zijn in 1987 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en in 2009 gescheiden. De vrouw was eigenaar van een hotel dat in 2001 werd verkocht aan een derde partij, die een lening bij haar had afgesloten met een recht van hypotheek als zekerheid. De vrouw vorderde dat de man aansprakelijk werd gesteld voor onrechtmatige daad, omdat hij tijdens het huwelijk betalingen van die derde partij zou hebben geïnd zonder haar medeweten.
De rechtbank wees de vordering af en in hoger beroep wijzigde de vrouw haar vordering, stellende dat de man alsnog binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis artikel 6 HVPro moest naleven of subsidiair aansprakelijk was voor de schade. De man verweerde zich met het standpunt dat alle financiële gevolgen van de echtscheiding waren afgewikkeld en dat hij erop vertrouwde dat dit definitief was.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende had onderbouwd dat de man onrechtmatig had gehandeld. Zij erkende zelf dat bij het einde van het huwelijk de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de gemeenschap van goederen waren geregeld. Bovendien ontbrak een overzicht van de bedragen die de man zou hebben geïnd en was het onwaarschijnlijk dat hij onbevoegd handelde met betrekking tot de gezamenlijke bankrekening.
Omdat de vrouw niet aan haar stelplicht had voldaan, wees het hof haar vordering af en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep. Het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: De vordering van de vrouw wegens onrechtmatige daad wordt afgewezen wegens onvoldoende stelplicht.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem, afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof: 200.328.455
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 537772)
arrest van 11 juni 2024
in de zaak van
[appellante]
die woont in [woonplaats1]
die hoger beroep heeft ingesteld
en bij de rechtbank optrad als eiseres
hierna: de vrouw
advocaat: mr. S.A. van den Broek
tegen
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats1]
en bij de rechtbank optrad als gedaagde
hierna: de man
advocaat: mr. G.H. Zijlstra
1.Het verloop van de procedure in hoger beroep
1.1.
Naar aanleiding van het arrest van 5 december 2023 heeft op 22 maart 2024 een mondelinge behandeling bij het hof plaatsgevonden. Voorafgaand aan deze zitting hebben partijen producties overgelegd.
1.2.
De man heeft bezwaar gemaakt tegen het overleggen van producties 23 tot en met 27 en 29 van de vrouw. Het hof heeft daarop beslist dat op die producties acht wordt geslagen, omdat deze kort en eenvoudig te doorgronden zijn en de man (en zijn advocaat) zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die producties en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.
Hierna is het hof gevraagd opnieuw arrest te wijzen.
2.De kern van de zaak
2.1.
Partijen zijn [in] 1987 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden en zijn [in] 2009 gescheiden. De vrouw was tijdens het huwelijk eigenaar van een hotel in [woonplaats1] , dat op 15 juni 2001 – met de onroerende zaak waarin het werd uitgebaat – is verkocht aan de familie [naam1] (hierna: [naam1] ). [naam1] heeft in verband met die aankoop fl. 125.000,- van de vrouw geleend en aan haar ter zekerheid van de aflossing van die lening een recht van hypotheek verstrekt op de onroerende zaak. [naam1] zou – naast een maandelijkse aflossing – 6% rente per jaar betalen over de (restant)hoofdsom.
2.2.
De vrouw heeft bij de rechtbank gevorderd te verklaren voor recht dat de man op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door haar geleden en nog te lijden schade en de man te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding nader op te maken bij staat. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de man tijdens het huwelijk ten onrechte en zonder haar medeweten de betalingen van [naam1] heeft geïnd.
2.3.
De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. De bedoeling van het hoger beroep is dat de afgewezen vorderingen alsnog worden toegewezen.
3.Het oordeel van het hof
3.1.
Het hof zal beslissen dat de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan en haar vorderingen afwijzen. Het hof licht hierna toe hoe het tot dit oordeel is gekomen.
3.2.
Met haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte de behandeling van de zaak niet heeft aangehouden om haar in de gelegenheid te stellen (de grondslag van) haar vordering aan te passen. Volgens de vrouw kon haar advocaat zich na overname van de zaak door ziekte niet goed voorbereiden voor de zitting, is ten onrechte geen uitstel verleend, zijn daarom de gronden voor haar vordering niet aangevuld en heeft zij de vordering daarom niet kunnen wijzigen. De man is van mening dat de rechtbank terecht geen uitstel heeft verleend en dat de vrouw ter zitting de gelegenheid heeft gehad de gronden aan te vullen en te verduidelijken.
3.3.
Voor zover in eerste aanleg sprake was van een verzuim van de rechtbank om de vrouw in de gelegenheid te stellen de grondslag voor haar vordering aan te vullen of te wijzigen, overweegt het hof dat het hoger beroep mede dient om verzuimen te herstellen. Omdat de vrouw haar vordering in hoger beroep heeft kunnen wijzigen, is dat verzuim hersteld en kan het niet leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis. Daarbij komt dat het hof niet is gebonden aan de door de vrouw genoemde grondslag voor haar vordering en op basis van de feiten de rechtsgronden van de vordering ambtshalve kan aanvullen.
3.4.
De vrouw heeft (met haar tweede grief) alsnog haar vordering gewijzigd en gevorderd ‘ primair de man te veroordelen alsnog binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis artikel 6 HVPro na te leven door de waarde van het bestanddeel van het vermogen van de vrouw dat is gevloeid in het vermogen van de man aan haar te vergoeden, subsidiair voor recht te verklaren dat de man op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor de door de vrouw als gevolg daarvan geleden en nog te lijden schade’ en de rest van het oorspronkelijke petitum in stand te laten.
Volgens de vrouw kan door deze wijziging geen sprake zijn van verjaring van haar vordering (zoals de rechtbank heeft geoordeeld), omdat in de huwelijkse voorwaarden geen bepaling is opgenomen wanneer een vordering op grond van artikel 6 uiterlijkPro moet zijn voldaan. De wijziging is evenmin in strijd met de goede procesorde, omdat deze tijdig is gedaan en de man voldoende gelegenheid heeft (gehad) om zich daartegen te verweren.
3.5.
De man voert verweer en stelt (onder meer) dat partijen tijdens de echtscheidingsprocedure de financiële gevolgen hebben geregeld. Zij hebben destijds besloten een gezamenlijk winkelpand te verkopen en de opbrengst aan te wenden om schulden van de vrouw af te lossen, waarbij de gezamenlijke echtscheidingsadvocaat nog heeft bemiddeld tussen de vrouw en de schuldeisers en de verkoopopbrengst heeft uitbetaald aan de schuldeisers, waaronder de belastingdienst. De overige bezittingen van partijen zijn verdeeld en een vergoedingsrecht is niet ter sprake gebracht. De man heeft erop vertrouwd dat alle financiële gevolgen van de echtscheiding waren afgewikkeld.
3.6.
Gelet op het verweer van de man had het op de weg van de vrouw gelegen haar stellingen en vordering (nader) te onderbouwen. Dit klemt te meer, nu zij met zoveel woorden heeft erkend dat, zoals de man heeft aangevoerd, bij het einde van het huwelijk wel degelijk is voorzien in de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en (de verdeling van) de eenvoudige gemeenschap van inboedel van partijen, dat het gezamenlijke winkelpand is verkocht en dat van de volledige opbrengst zakelijke schulden van de vrouw zijn betaald.
In het licht hiervan heeft de vrouw haar stelling dat de man tijdens het huwelijk onbevoegd of onrechtmatig betalingen heeft geïnd van [naam1] onvoldoende onderbouwd en daarmee niet aan haar stelplicht voldaan. Een overzicht van de bedragen die door [naam1] zijn overgemaakt en/of door de man zouden zijn opgenomen, ontbreekt. De vrouw heeft wel bankafschriften overgelegd over de perioden 6 tot en met 9 (juni tot en met september) 2004. Daaruit blijkt dat [naam1] ( [naam2] vof) op 2 juli 2004 en op 4 augustus 2004 € 10.000,- heeft overgemaakt en op 2 september 2004 € 8.608,27, welke bedragen in de dagen daarna grotendeels contant zijn opgenomen. Dit kan echter niet leiden tot een ander oordeel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om overboekingen naar en opnames van de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de Rabobank (rekeningnummer met eindcijfers [nummer1] ). Dat de man onbevoegd of onrechtmatig bedragen (van die gezamenlijke rekening) zou hebben geïnd, ligt dan ook – zonder nadere toelichting, die ontbreekt – niet voor de hand.
De vrouw heeft in eerste aanleg wel gesteld dat de man bankpassen voor haar achterhield en dat hij haar geen inzage wilde geven in deze rekening, maar – zoals ook de rechtbank heeft overwogen – zij had zich daarvoor tot de bank kunnen wenden. Dat zij dat niet heeft gedaan, komt voor haar rekening en risico.
3.7.
Nu de vrouw niet aan haar stelplicht heeft voldaan, komt het hof ook niet toe aan een bewijsopdracht. De vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen.
3.8.
Het hoger beroep slaagt niet. Omdat de vrouw in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof haar tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen.
4.De beslissing
Het hof:
4.1.
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 februari 2023;
4.2.
veroordeelt de vrouw tot betaling van de volgende proceskosten van de man:
- € 343,- aan griffierecht
- € 2.428,- aan salaris van de advocaat van de man (2 procespunten x tarief II)
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. S. Kuijpers, M.H.F. van Vugt en W.D. Kolkman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2024.