ECLI:NL:GHARL:2024:3908

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
12 juni 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
Wahv 200.336.449/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen boete wegens ontbreken bromfietsverzekering met matiging sanctie wegens schending hoorplicht

De betrokkene kreeg een boete van €370 opgelegd wegens het niet afsluiten en in stand houden van een bromfietsverzekering. Tegen deze sanctie werd beroep ingesteld bij de kantonrechter, dat ongegrond werd verklaard. De betrokkene ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

De gemachtigde van de betrokkene voerde onder meer aan dat de betrokkene niet was gehoord door de officier van justitie, waardoor de sanctie met 25% gematigd moest worden. Tevens werd gesteld dat de redelijke termijn van berechting was overschreden, omdat meer dan twee jaar was verstreken tussen de vermeende overtreding en de uitspraak.

Het hof stelde vast dat de gedraging voldoende was vastgesteld en dat de enkele ontkenning zonder argumenten faalde. De schending van de hoorplicht werd erkend, waardoor de sanctie met 25% werd gematigd. De redelijke termijn was echter niet overschreden omdat de termijn aanving bij de toezending van de inleidende beschikking op 15 december 2021 en eindigde bij de uitspraak van de kantonrechter op 1 december 2023.

Het hof vernietigde de beslissing van de kantonrechter, matigde de boete tot €277,50, en veroordeelde de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van €1.093,75. Tevens werd bepaald dat teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: De boete wordt gematigd tot €277,50 wegens schending van de hoorplicht, terwijl de overschrijding van de redelijke termijn wordt verworpen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.336.449/01
CJIB-nummer
: 246141074
Uitspraak d.d.
: 12 juni 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 1 december 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie van € 370,- opgelegd voor:
“voor een bromfiets niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden”. Volgens een registercontrole van de RDW zou deze gedraging op 25 oktober 2021 zijn verricht met het
voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene ontkent de gedraging. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de betrokkene niet is gehoord door de officier van justitie. Daarom moet het bedrag van de sanctie met 25 procent worden gematigd.
3. Het hof stelt vast dat de gedraging op grond van de stukken in het dossier kan worden vastgesteld. De enkele ontkenning van de gedraging, zonder hiervoor argumenten aan te dragen, doet geen twijfel ontstaan aan de gegevens in het dossier en dat betekent dat de aangevoerde grond faalt.
4. Het hof stelt vast dat betrokkene in administratief beroep zelf, zonder (professioneel) gemachtigde heeft geprocedeerd. Het hof is, gezien het arrest van het arrest van het hof van 22 november 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:9934 met betrekking tot de structurele schending van de hoorplicht, van oordeel dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd met 25 procent.
5. De gemachtigde voert verder aan dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In dit geval is meer dan twee jaar verstreken tussen het moment dat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan hij de verwachting kon ontlenen dat hem een boete zou worden opgelegd en het moment dat de kantonrechter uitspraak heeft gedaan. De betrokkene is immers door het op 25 oktober 2021 toesturen van de brief van de RDW op de hoogte geraakt van het feit dat tegen hem de verdenking bestond dat hij zich schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit en dat hij daar een boete voor zou ontvangen van het CJIB. De gemachtigde verwijst in dit verband naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Engel tegen Nederland en de uitspraak in de zaak Humen tegen Polen.
6. In het arrest van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369 heeft het hof het volgende overwogen:
"12. In (inmiddels bestendige) jurisprudentie is bepaald dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg ten hoogste twee jaar bedraagt, waarbij de termijn aanvangt op het moment dat vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De procedure in administratief beroep is in deze termijn begrepen; de termijn eindigt met de uitspraak van de rechtbank.”
7. In de onderhavige zaak is de redelijke termijn van berechting - anders dan de gemachtigde van mening is - aangevangen met de in het zaakoverzicht geregistreerde datum van toezending van de inleidende beschikking, te weten 15 december 2021. Het hof merkt daarbij op dat de beweerdelijk toegezonden brief van de RDW van 25 oktober 2021 niet is overgelegd, maar slechts gewezen is op een passage afkomstig van de site van de RDW. Hierin wordt uitleg gegeven over de wijze waarop een registercontrole door de RDW wordt uitgevoerd en de mogelijke gevolgen die worden verbonden aan het constateren van een overtreding. Aan een dergelijke uitleg komt niet de betekenis toe van een vanwege het bestuursorgaan jegens de beboete persoon verrichte handeling waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat hem een boete zal worden opgelegd. De verwijzing naar de door de gemachtigde aangehaalde jurisprudentie gaat niet op. Nu de zaak in eerste aanleg is geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van 1 december 2023, stelt het hof vast dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg niet is overschreden. De aangevoerde grond faalt.
8. Gelet op hiervoor vastgestelde schending van de hoorplicht komen de proceskosten voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, het indienen van een hoger beroepschrift en een nadere toelichting op het hoger beroep dienen in totaal 2,5 punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.093,75 (= 2,5 x € 875,- x 0,5).
9. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 277,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.093,75.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Pullens als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.