ECLI:NL:GHARL:2024:3945

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 juni 2024
Publicatiedatum
13 juni 2024
Zaaknummer
Wahv 200.335.861/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Matiging sanctie wegens overschrijding redelijke termijn in verkeersboetezaak

De betrokkene kreeg een sanctie van €240 opgelegd voor doorrijden bij rood licht op 3 november 2020. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenvergoeding af. De gemachtigde stelde dat de procedure onnodig was vertraagd door de rechtbank, waardoor de redelijke termijn werd overschreden.

Het hof constateert dat de redelijke termijn van berechting is overschreden vanaf de verzending van de inleidende beschikking op 19 november 2020. Hoewel de termijn is verlengd vanwege het verzoek van de gemachtigde om nadere termijn voor aanvulling van gronden, is het aan de kantonrechter om voortvarendheid te waarborgen. De lange duur is slechts in zeer beperkte mate aan de gemachtigde toe te rekenen.

Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter en de beslissing van de officier van justitie, verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond en matigt de sanctie met 25% tot €180. Tevens veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van proceskosten van €875. De betrokkene kan teveel gestelde zekerheid terugvorderen.

Uitkomst: Sanctie gematigd met 25% tot €180 wegens overschrijding redelijke termijn; proceskosten van €875 toegewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.861/01
CJIB-nummer
: 237630455
Uitspraak d.d.
: 13 juni 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 26 oktober 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 240,- voor: “doorrijden bij een driekleurig verkeerslicht (stoplicht) dat op rood staat”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 november 2020 om 19:40 uur op de Hertogin Johannasingel in Oss met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter in de onderhavige zaak ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de sanctie wegens schending van de redelijke termijn van berechting te matigen met 25%. Hiertoe voert de gemachtigde, kort samengevat, aan dat de opgelopen vertraging in de procedure niet aan de gemachtigde is toe te rekenen. De rechtbank heeft de onderhavige zaak nodeloos op de plank laten liggen.
3. Het hof stelt het volgende vast. De inleidende beschikking is op 19 november 2020 verzonden.
In het beroepschrift bij de kantonrechter d.d. 26 juli 2021 ontkent de gemachtigde namens de betrokkene de gedraging en verzoekt de gemachtigde om toezending van de op de zaak betrekking hebbende stukken, alsmede om het verlenen van een nadere termijn voor het aanvullen van gronden van het beroep.
De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde bij brief d.d. 23 maart 2022 in de gelegenheid gesteld om een machtiging over te leggen en de gronden van het beroep mede te delen. Bij brief van 15 april 2022 heeft de gemachtigde een machtiging overgelegd. Hierbij zijn geen aanvullende gronden ingediend. De griffier heeft de gemachtigde bij brief d.d. 26 september 2022 opgeroepen om te verschijnen op de zitting van de kantonrechter op 21 oktober 2022. Blijkens het proces-verbaal heeft de kantonrechter op die zitting, alwaar de gemachtigde niet is verschenen, vastgesteld dat de gemachtigde in zijn beroepschrift op nader aan te voeren gronden pro forma beroep heeft ingesteld en heeft verzocht om een afschrift van het procesdossier. De kantonrechter heeft bepaald dat de gemachtigde in de gelegenheid wordt gesteld om uiterlijk binnen een termijn van vier weken na verzending van het proces-verbaal beroepsgronden in het geding te brengen. Het proces-verbaal is op 9 november 2022 aan de gemachtigde toegestuurd. De griffier van de rechtbank heeft de gemachtigde vervolgens bij brief d.d. 22 september 2023 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 26 oktober 2023. Op 2 oktober 2023 is een aanvullend beroepschrift van de gemachtigde ingekomen, waarin de gemachtigde zich op het standpunt stelt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van berechting. De kantonrechter heeft op 26 oktober 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist.
4. De redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is in eerste aanleg aangevangen op 19 november 2020 toen de inleidende beschikking aan de betrokkene is verzonden.
De termijn van berechting is in beginsel geëindigd met de beslissing van de kantonrechter van
26 oktober 2023. De gemachtigde heeft in het beroepschrift bij de kantonrechter verzocht om een nadere termijn voor het aanvullen van de beroepsgronden. Bij brief van 23 maart 2022 is de gemachtigde in de gelegenheid gesteld om de gronden van het beroep aan te vullen. De gemachtigde heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Vervolgens heeft de kantonrechter de behandeling van de zaak ter zitting van 21 oktober 2022 aangehouden teneinde de gemachtigde (opnieuw) in de gelegenheid te stellen om de gronden van het beroep aan te vullen binnen vier weken na verzending van het
proces-verbaal. De gemachtigde heeft vervolgens bij schrijven van 2 oktober 2023 de gronden van het beroep aangevuld. Hoewel de redelijke termijn van berechting is verlengd in verband met het aan de (gemachtigde van de) betrokkene toe te rekenen bieden van een nadere termijn voor het indienen (het hof leest: aanvullen) van de gronden, is het hof van oordeel dat het aan de kantonrechter is om toe te zien op een voortvarende afdoening van de zaak. Het hof wijst er in dat verband op dat tussen de zittingen van 21 oktober 2022 en 26 oktober 2023 een periode van meer dan 12 maanden is verstreken terwijl slechts een zeer beperkt deel daarvan aan de gemachtigde kan worden toegerekend.
Daarbij komt dat de kantonrechter de zaak op 21 oktober 2022 niet had hoeven aanhouden, in aanmerking genomen dat het beroepschrift aan de kantonrechter immers een beroepsgrond bevat, namelijk dat de gedraging wordt ontkend. Dit brengt mee dat de lange duur van de procedure niet in overwegende mate te wijten is aan de gemachtigde.
5. Het hof stelt derhalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM in eerste aanleg is overschreden. De aangevoerde grond slaagt. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
6. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en een hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,- (= 2 x € 875,- x 0,5).
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gewijzigd in
€ 180,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.