ECLI:NL:GHARL:2024:411

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
17 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.327.863/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriftenRegeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing kantonrechter inzake digitale handhaving voetgangersgebied Enschede

De betrokkene kreeg een sanctie van €150 opgelegd wegens rijden op een voetpad in Enschede, geconstateerd via digitale handhaving. De betrokkene voerde aan dat niet was voldaan aan het Beleidskader digitale handhaving, met name dat geen waarschuwingsperiode was ingesteld en dat instemming van het openbaar ministerie ontbrak.

Het hof stelde vast dat het plan van aanpak voor digitale handhaving was goedgekeurd door het openbaar ministerie en dat het plan geen waarschuwingsperiode bevatte, noch dat hieraan betekenis werd toegekend bij instemming. De betrokkene kon dan ook niet op deze gronden succesvol verweren.

Verder oordeelde het hof dat de schouwrapporten van de boa voldoende waren en dat de kantonrechter terecht het beroep ongegrond verklaarde. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest bevestigt de rechtmatigheid van de digitale handhaving en de opgelegde sanctie.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €150 voor digitale handhaving in het voetgangersgebied en wijst het hoger beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.327.863/01
CJIB-nummer
: 247405413
Uitspraak d.d.
: 17 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Overijssel van 12 januari 2023, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 3 januari 2024. De gemachtigde van de betrokkene is, zoals bij e-mailbericht d.d. 11 december 2023 is doorgegeven, niet verschenen.
De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 3 februari 2022 om 20.20 uur op de Nijverheidstraat in Enschede met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat nu niet is voldaan aan het Beleidskader digitale handhaving geslotenverklaringen en voetgangersgebieden (hierna: Beleidskader) de inleidende beschikking dient te worden vernietigd. De gemachtigde stelt in dit verband dat de betrokkene niet een waarschuwingsbrief heeft ontvangen. Ook is niet gebleken wanneer de beginperiode van het digitaal handhaven c.q. de waarschuwingsperiode is geweest, hoe lang die heeft geduurd en op welke wijze vorm is gegeven aan de verzending van de waarschuwingsbrieven. Uit het dossier volgt niet dat de waarschuwingsperiode in een algemeen proces-verbaal is vastgesteld door de gemeente. De gemachtigde voert voorts aan dat de gemeente Enschede niet duidelijk maakt wat de concrete waarschuwingsperiode is geweest en hoe deze concreet kenbaar is gemaakt. Het is niet duidelijk wat de rol is van het staken van de digitale handhaving. Verder wijst de gemachtigde op de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar (hierna: Regeling). Uit de stukken volgt volgens de gemachtigde niet dat, zoals de Regeling eist, het CVOM met het plan van aanpak heeft ingestemd.
3. De onder 1. vermelde gedraging betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Uit de gegevens in het zaakoverzicht blijkt dat de gedraging geautomatiseerd is geconstateerd en op een digitale foto is vastgelegd door een camera. Er is dus sprake van digitale handhaving. De sanctie is blijkens de gegevens in het zaakoverzicht opgelegd door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) van het domein Openbare ruimte.
4. De ten tijde van de gedraging geldende Regeling bepaalde ten aanzien van de bevoegdheid van de boa Openbare ruimte in de bij deze Regeling behorende bijlage, voor zover hier van belang, het volgende:
“De boa Openbare ruimte is belast met de opsporing van de strafbare feiten in de volgende wettelijke voorschriften voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de functie en de daaraan gekoppelde taakomschrijving, tenzij de wet zich daartegen verzet. (…)
Voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer: de artikelen (…) 10 (…) RVV (…).
Digitaal handhaven is slechts mogelijk op overtreding van het RVV en na instemming van het Openbaar Ministerie. Een aanvraag tot instemming wordt getoetst aan de door het Openbaar Ministerie hiertoe vastgestelde kaders. De toepasselijke kaders zijn te vinden op www.om.nl/digitaalhandhavenRVV;”.
5. Uit de door de advocaat-generaal bij het verweerschrift, de reactie op de nadere toelichting en ter zitting overgelegde stukken blijkt dat in het verleden ter plaatse sprake was van een geslotenverklaring, aangeduid met C-borden. Vanaf 2019 werd deze geslotenverklaring digitaal gehandhaafd. Op enig moment ontstond bij de gemeente Enschede de wens om ter plaatse een voetgangersgebied in te richten. De C-borden zijn vervangen door G-borden. Het besluit daartoe is genomen op 15 juli 2020. De fysieke realisatie vond plaats in september 2020. De camera’s ten behoeve van de digitale handhaving zijn in die (overgangs)periode uitgeschakeld geweest.
6. Aan de officier van justitie is, met het oog op de digitale handhaving van de G-borden een plan van aanpak voorgelegd. In het Plan van aanpak camerahandhaving - Voetgangersgebied binnenstad Enschede d.d. 19 augustus 2020 is onder meer het volgende opgenomen:
“De geslotenverklaring in de huidige situatie wordt al digitaal gehandhaafd. Met het instellen van een voetgangersgebied (met de genoemde uitzonderingen/toestemmingen) wijzigt er voor bestuurders van motorvoertuigen in de praktijk niets. Daarom wordt voorgesteld om in de opstartfase geen periode van coulance te hanteren.”
7. De advocaat-generaal heeft een afschrift van een verklaring van instemming van het openbaar ministerie d.d. 24 april 2023 overgelegd. Hierin wordt aangegeven dat het plan van aanpak is beoordeeld en akkoord bevonden. Verder is bevestigd dat door het Parket CVOM instemming is verleend om digitaal te mogen handhaven op een overtreding van het RVV 1990.
8. Ter zitting van het hof heeft de advocaat-generaal de op schrift gestelde verklaring van een beleidsmedewerker van het Parket CVOM overgelegd waaruit naar voren komt dat het plan van aanpak is getoetst aan het toenmalige Beleidskader en dat instemming is verleend in augustus 2021.
9. Er is derhalve instemming verleend vóór de onderhavige gedraging. De grond dat instemming ontbreekt en aldus niet is voldaan aan de Regeling faalt.
10. Het hof stelt voorts vast dat in het plan van aanpak, waarmee de officier van justitie heeft ingestemd, geen waarschuwingsperiode is opgenomen. Aan een waarschuwingsperiode heeft de officier van justitie ook geen betekenis toegekend bij het verlenen van instemming.
11. Ook al zou het Beleidskader in een situatie als deze voorzien in een waarschuwingsperiode, dan maakt dit niet dat de officier van justitie hier instemming had moeten onthouden en dat de ambtenaar hier alleen bevoegd zou zijn om een sanctie op te leggen indien een waarschuwingsperiode in acht was genomen. Het hof wijst in dit verband op zijn arrest van
17 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6936.
12. De aangevoerde gronden ten aanzien van de waarschuwingsperiode en in het verlengde daarvan de waarschuwingsbrieven treffen derhalve evenmin doel.
13. Ten slotte voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter niet heeft onderkend dat de ambtenaar in de schouwrapporten ten aanzien van de bebording verklaart over een aantal zaken die hem ambtshalve bekend zijn, maar niet verklaart dat een schouw is uitgevoerd. De schouwrapporten kunnen derhalve redelijkerwijs niet als een (deugdelijk) schouwrapport worden aangemerkt.
14. Deze grond mist feitelijke grondslag, nu de ambtenaar heeft verklaard dat de schouw is gelopen op 31 januari 2022 en 26 februari 2022 alsmede dat daarbij is gebleken dat de bebording in orde is.
15. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Gegeven deze beslissing zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.