ECLI:NL:GHARL:2024:419

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 januari 2024
Publicatiedatum
17 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.328.620/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie van €250 opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden op 21 december 2021 in Barendrecht. Hij ontkende de gedraging en stelde dat de telefoon in de middenconsole lag. De sanctie was opgelegd door een ambtenaar die de gedraging niet zelf had waargenomen.

In hoger beroep stelde het gerechtshof vast dat de verklaring van de ambtenaar onvoldoende was om met zekerheid vast te stellen dat de gedraging had plaatsgevonden. Er was geen verificatie van het verweer van de betrokkene bij de staandehouding en een nadere toelichting van de ambtenaar ontbrak.

Het hof vernietigde daarom de sanctiebeschikking en de beslissing van de kantonrechter. Tevens werd de advocaat-generaal veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €875. De procedure benadrukte het belang van voldoende bewijs en hoor en wederhoor bij bestuursrechtelijke sancties.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wegens vasthouden van een mobiel apparaat tijdens rijden wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.328.620/01
CJIB-nummer
: 246477151
Uitspraak d.d.
: 17 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. I.N.D.J. Rissema, kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 250,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2021 om 7:40 uur op de Dierensteinweg in Barendrecht met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging van meet af aan ontkend heeft. De betrokkene heeft de mobiele telefoon niet vastgehouden. De mobiele telefoon lag in het middenconsole. Er is reden te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar, des te meer omdat de sanctie is opgelegd door een ambtenaar die de gedraging niet heeft waargenomen.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat de bestuurder een mobiele telefoon in zijn linkerhand vasthield, tijdens het rijden, ter hoogte van het stuur.
Verklaring betrokkene: Ik had mijn telefoon in het middenconsole liggen.”
5. De betrokkene heeft in administratief beroep verklaard dat hij is staandegehouden bij een algemene verkeerscontrole en dat de ambtenaar die de betrokkene staandehield in eerste instantie mededeelde dat indien er geen sancties op zijn naam stonden hij zijn weg kon vervolgen. Na twee minuten kwam de betreffende ambtenaar terug en gaf aan dat een sanctie opgelegd zou worden voor het vasthouden van een mobiele telefoon. De betrokkene gaf aan dat hij geen mobiele telefoon had vastgehouden. De ambtenaar verklaarde dat een andere ambtenaar de gedraging had waargenomen bij een stoplicht. De betrokkene kreeg dus een sanctie opgelegd door de ambtenaar die de gedraging niet had waargenomen. De betrokkene merkt daarbij nog op dat er ook niet is gecontroleerd of het een elektronisch apparaat was en of de betrokkene überhaupt een elektronisch apparaat in de middenconsole had liggen.
6. Door en namens de betrokkene is gedurende de gehele procedure vasthoudend aangevoerd dat de betrokkene geen mobiele telefoon heeft vastgehouden tijdens het rijden. De betrokkene heeft de gedraging al bij de staandehouding ontkend en aangevoerd dat de mobiele telefoon in de middenconsole lag. De ambtenaar verklaart slechts dat hij zag dat de betrokkene een mobiele telefoon in zijn linkerhand vasthield tijdens het rijden ter hoogte van het stuur. Het hof acht deze enkele verklaring in deze zaak onvoldoende voor het vaststellen van de gedraging. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de betrokkene, zo is onbetwist gesteld, is staandegehouden door een andere ambtenaar dan de ambtenaar die de gedraging heeft geconstateerd. Niet is gebleken dat bij de staandehouding het verweer van de betrokkene is geverifieerd. Gelet op wat de betrokkene aanvoert was een nadere toelichting waarin de ambtenaar was ingegaan op wat de betrokkene aanvoert op zijn plaats geweest. Het hof acht het in deze fase van de procedure niet meer aangewezen de advocaat-generaal alsnog te verzoeken om een verklaring van de ambtenaar. Bij deze stand van zaken kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Dit leidt tot de hierna vermelde beslissing.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter en het hoger beroepschrift dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.