Partijen hadden een affectieve relatie en exploiteerden samen een onderneming. Na beëindiging van hun relatie ontstond onenigheid over de voortzetting van de onderneming en de verkoop van hun gezamenlijke woning. In kort geding vorderde geïntimeerde dat appellant geen bemoeienis meer heeft met de onderneming en dat de woning wordt verkocht. De voorzieningenrechter wees deze vorderingen toe.
Het hof bevestigt dat de verstandhouding tussen partijen zodanig verstoord is dat voortzetting van de onderneming door beide partijen niet mogelijk is. Daarom is een ordemaatregel nodig waarbij geïntimeerde voorlopig de bedrijfsvoering voortzet. De afgifte van drie leaseauto’s door appellant aan geïntimeerde is toegewezen, maar de veroordeling tot afgifte van één bus (Opel Vivaro) wordt vernietigd omdat appellant deze nog gebruikt voor werkzaamheden en geïntimeerde hiertegen geen bezwaar heeft.
De woning moet worden verkocht vanwege een aanzienlijke belastingschuld en het ontbreken van financiële mogelijkheden voor een van partijen om de woning over te nemen. Het hof oordeelt dat het belang van verkoop zwaarder weegt dan het belang van appellant om in de woning te blijven. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd en de dwangsommen gemaximeerd. Het arrest bevestigt het vonnis van de voorzieningenrechter grotendeels.