In deze civiele procedure in hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 25 juni 2024 uitspraak gedaan over het verzoek van de moeder om de werking van een eerder door de rechtbank Midden-Nederland vastgestelde zorgregeling te schorsen en om voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank had bepaald dat het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader is en een zorgregeling vastgesteld waarbij de minderjarige meerdere dagen per week bij de vader verblijft.
De moeder verzocht het hof om de schorsing van deze beschikking en om terug te keren naar een eerdere zorgregeling met minder contactmomenten, stellende dat de huidige regeling nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid en het welzijn van de minderjarige. Het hof oordeelde dat de moeder geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die de schorsing konden rechtvaardigen en dat de klachten van de minderjarige niet eenduidig aan de huidige zorgregeling konden worden toegeschreven.
Daarnaast stelde het hof vast dat het gebruik van kinderopvang door de vader, in overleg met de gecertificeerde instelling, niet ongebruikelijk is en geen reden vormt voor schorsing. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd niet inhoudelijk behandeld omdat het schorsingsverzoek reeds werd afgewezen.
Het hof bevestigde daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank en wees de verzoeken van de moeder af, waardoor het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader blijft en de vastgestelde zorgregeling van kracht blijft.