Belanghebbende is eigenaar van een twee-onder-één-kapwoning waarvan de WOZ-waarde voor 2019 door de heffingsambtenaar is vastgesteld op €295.000. Na bezwaar en beroep bij de rechtbank, waarbij de waarde werd gehandhaafd, stelde belanghebbende hoger beroep in bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het hof oordeelde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vastgestelde waarde niet te hoog was. Met name werd het referentieobject [adres1] 32 afgewezen als vergelijkingsobject vanwege verschillen in woningtype en grondoppervlakte. Het hof stelde de waarde daarom vast op €275.000, een lager bedrag dan door de heffingsambtenaar verdedigd maar hoger dan het door belanghebbende voorgestelde bedrag van €254.000.
Verder werd het beroep gegrond verklaard met toekenning van vergoeding van proceskosten over bezwaar, beroep en hoger beroep, in totaal €4.120, en werd het betaalde griffierecht vergoed. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd afgewezen omdat de termijn niet was overschreden door een redelijke aanhouding in afwachting van een prejudiciële beslissing.
Het hof vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de uitspraken op bezwaar, verminderde de WOZ-waarde en de aanslag OZB dienovereenkomstig, wees het verzoek om schadevergoeding af en veroordeelde de heffingsambtenaar in de proceskosten en griffierechten.