AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging boete wegens snelheidsovertreding binnen bebouwde kom ondanks betwisting meetmethode en procedure
De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die een boete van €184,- oplegde wegens 19 km/u te hard rijden binnen de bebouwde kom. Hij voerde aan dat hij niet tijdig over de zitting was geïnformeerd en dat de meetapparatuur onbetrouwbaar was.
Het hof oordeelde dat het verzoek om uitstel per e-mail niet aannemelijk was ontvangen en dat daardoor geen schending van het hoor en wederhoor-beginsel had plaatsgevonden. De procedure werd correct gevolgd en de betrokkene was voldoende in de gelegenheid gesteld zijn standpunten kenbaar te maken.
Wat betreft de snelheidsovertreding concludeerde het hof dat de gebruikte meetapparatuur betrouwbaar was, ondanks het ontbreken van een certificaat in het dossier en de betwisting van de meetopstelling. De verklaring van de ambtenaar en de aanwezige bewijsstukken gaven voldoende grond om de meting te accepteren.
De betrokkene had onvoldoende onderbouwd dat de bebording ontbrak en dat hij niet de maximumsnelheid had overschreden. Ook het feit dat hij niet was staandegehouden was volgens het hof gerechtvaardigd vanwege een eenmanscontrole. Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De boete van €184,- wegens 19 km/u te hard rijden binnen de bebouwde kom wordt bevestigd.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.334.443/01
CJIB-nummer
: 244718304
Uitspraak d.d.
: 25 juni 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 14 september 2023, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen en er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 11 juni 2024. De betrokkene is verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door [naam1] .
Na de behandeling van het beroep ter zitting is nog een e-mail van de betrokkene ontvangen. Nu deze e-mail na sluiting van het onderzoek ter zitting is ontvangen, kan hier geen acht op worden geslagen.
De beoordeling
1. De betrokkene voert in hoger beroep aan dat zijn recht om aanwezig te zijn bij de zitting van de kantonrechter is geschonden. Hij had de kantonrechter per e-mail aangegeven dat hij niet in staat was om naar de zitting van 14 september 2023 te komen en om uitstel verzocht.
2. Het is vaste rechtspraak dat als een partij voorafgaande aan de zitting van de kantonrechter een uitdrukkelijk verzoek om aanhouding van de behandeling van de zaak doet en de kantonrechter zonder op dat verzoek te beslissen een uitspraak in die zaak heeft gedaan, er sprake kan zijn van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.
3. Uit de stukken in het dossier leidt het hof het volgende af. De betrokkene is bij brief van
23 mei 2023 opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 28 juni 2023. Bij e-mail van 26 juni 2023, verzonden aan de afdeling Mulderzaken van de rechtbank Noord-Holland (mulderzaken.rb.nho@rechtspraak.nl), heeft de betrokkene om aanhouding verzocht van de behandeling van zijn zaak op deze zitting. Dit verzoek is gehonoreerd. Bij brief van 13 juli 2023 is de betrokkene vervolgens opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter op 14 september 2023.
4. De betrokkene heeft een kopie bijgesloten van de e-mail die hij op 13 september 2023 om 9.36 uur heeft verzonden aan de Centrale Balie van de rechtbank Noord-Holland (centralebalie.rb-nho@rechtspraak.nl). In de e-mail geeft de betrokkene aan dat hij vanwege gezondheidsklachten niet mag reizen. Ook heeft hij die dag school. De betrokkene verzoekt de zitting te verzetten of een digitale zitting te houden. Dit e-mailbericht bevindt zich echter, anders dan het door de betrokkene overgelegde afschrift, niet in het van de rechtbank ontvangen dossier. De zaak is buiten aanwezigheid van de betrokkene door de kantonrechter behandeld op 14 september 2023.
5. In de Wahv is de mogelijkheid van elektronisch berichtenverkeer in de beroepsprocedure bij de kantonrechter niet opengesteld. In het procesreglement “Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder) rechtbanken, kantonzaken” staat dat een verzoek om uitstel van de zitting schriftelijk wordt gedaan aan de kantonrechter van de desbetreffende locatie, onder vermelding van het zaaknummer (zie artikel 3.5). De mogelijkheid van het indienen van uitstelverzoeken per e-mail is hierin ook niet voorzien.
6. Nu het hier een niet-voorziene mogelijkheid van berichtenverkeer betreft, ligt het op de weg van de betrokkene om niet alleen de verzending maar - nu daarvan niet blijkt - ook de ontvangst van de e-mail van 13 september 2023 door de rechtbank Noord-Holland aannemelijk te maken. Daarin is hij niet geslaagd.
7. In dit verband merkt het hof op dat van de betrokkene ook mocht worden verwacht dat hij, nu hij - anders dan bij zijn eerdere verzoek in juni 2023 - voor de zitting van de (voorlopige) beslissing op zijn aanhoudingsverzoek niets had vernomen, voorafgaand aan de zitting van de kantonrechter de ontvangst van het aanhoudingverzoek zou hebben geverifieerd. Dat de betrokkene zou hebben gebeld, blijkt niet uit het dossier.
8. Nu niet is gebleken dat het aanhoudingsverzoek de kantonrechter heeft bereikt kan niet worden geoordeeld dat de kantonrechter gehouden was op dat verzoek te reageren. Van schending van het beginsel van hoor en wederhoor is dan ook geen sprake.
9. De betrokkene voert met betrekking tot de beslissing van de kantonrechter aan dat de gronden die hij heeft aangevoerd niet zijn behandeld. Nu de betrokkene niet heeft aangegeven op welke gronden er volgens hem niet deugdelijk is ingegaan en in welk opzicht de motivering van de kantonrechter te kort schiet, zal het hof hieraan voorbij gaan.
10. De klacht van de betrokkene dat hij ten onrechte niet is gehoord door de officier van justitie mist feitelijke grondslag. Uit het dossier blijkt namelijk dat de betrokkene in de fase van het administratief beroep werd bijgestaan door een professionele gemachtigde die - blijkens het hoorverslag dat zich in het dossier bevindt - is gehoord door de officier van justitie.
11. De bezwaren van de betrokkene richten zich verder tegen de opgelegde sanctie.
12. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 184,- voor: “19 km per uur harder rijden dan mag binnen de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 28 september 2021 om 8.45 uur op de Rijksstraatweg (ter hoogte van 40) in Bennebroek met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
13. De betrokkene voert aan dat de ambtenaar die de apparatuur heeft gebruikt hiertoe niet bevoegd (het hof begrijpt: bekwaam) was, nu hij niet beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat hij is opgeleid voor het gebruik van de onderhavige meetapparatuur.
14. Het hof ziet in hetgeen de betrokkene heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de bekwaamheid van de betreffende ambtenaar om de gebruikte apparatuur te bedienen. De enkele omstandigheid dat geen certificaat ten bewijze van de bekwaamheid van de betrokken ambtenaar voor de bediening van de gebruikte meetapparatuur in het dossier aanwezig is, doet op zichzelf geen twijfel ontstaan omtrent de vereiste bekwaamheid van deze ambtenaar en de juistheid van de gegevens die met behulp van die apparatuur zijn verkregen, respectievelijk die door de ambtenaar voor de sanctieoplegging zijn gebruikt. Deze grond faalt.
15. Voorts stelt de betrokkene dat de meting niet betrouwbaar is omdat de ambtenaar de meting niet conform de daartoe gestelde voorschriften heeft verricht. De opstelling stond te dicht op de wegas waardoor rijwind is ontstaan, de meetapparatuur stond blijkens de foto op een zachte ondergrond hetgeen volgens de voorschriften niet is toegestaan en er is gemeten in een bocht.
16. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
17. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting getest, goedgekeurd en op de voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel.
Gemeten (afgelezen snelheid): 72 km per uur.
Werkelijke (gecorrigeerde) snelheid: 69 km per uur.
Toegestane snelheid: 50 km per uur.
Overschrijding met: 19 km per uur.
(…)
Doordat de overtreding met een mobiele radar is geconstateerd bestond er geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder. Daarom is op kenteken bekeurd.
Soort snelheidsmeetmiddel: radar.
Merk: Jenoptik.
Type: MultaRadar CT.
(…)
Rijrichting van: Heemstede
Rijrichting naar: Hillegom
Opgaven RDW
(…)
Kleur van voertuig: niet gespecificeerd.
De betrokkene is van het mannelijk geslacht.
Naam van ambtenaar 1: [naam2]
(…)
De gedraging vond plaats binnen de bebouwde kom.”
18. In het dossier bevindt zich een foto waarmee de gedraging is vastgelegd. De gegevens in de databalk boven de foto stemmen overeen met de gegevens in het zaakoverzicht.
19. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep een aanvullend proces-verbaal van 11 januari 2024 overgelegd, waarin de ambtenaar het volgende verklaart:
“De overtreding is met behulp van een mobiele radar geconstateerd. Er bestond geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder omdat het een eenmanscontrole betrof. Bij de controle was alleen de bedienaar van de mobiele radar aanwezig. Daarom is op kenteken bekeurd. De meetmiddelen zijn gebruikt overeenkomstig de gebruiksvoorschriften zoals deze zijn vastgelegd bij de regeling meetmiddelen.”
20. Het hof ziet in wat de betrokkene aanvoert geen reden te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de snelheidsmeting en de gebruikte meetapparatuur. Dat zich in het dossier geen geldige NMi-verklaring bevindt, doet hieraan niet af. In het zaakoverzicht is vermeld dat het snelheidsmeetmiddel op de voorgeschreven wijze is gebruikt. In de aanvullende verklaring wordt dit nog een keer expliciet verklaard door de ambtenaar. De enkele stelling dat de opstelling op zachte ondergrond stond is onvoldoende om tot twijfel aan de betrouwbaarheid van de meting te leiden. Ook hetgeen de betrokkene verder heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de meting. Dat de apparatuur zodanig stond opgesteld dat de meting is beïnvloed door rijwind (of anderszins), is niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de opstelling volgens de betrokkene dicht op de wegas stond, is daarvoor op zichzelf onvoldoende. Bovendien zou het apparaat in het geval het meetresultaat onbetrouwbaar is geen snelheidsmeting weergeven en geen foto maken. De omstandigheid dat er een foto is geproduceerd waarop een meetresultaat is vermeld, betekent dat er een correcte meting heeft plaatsgevonden (vgl. overweging 8 van het arrest van het hof van 12 maart 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:2266). Voor zover de betrokkene aanvoert dat de snelheidsmeting is verstoord omdat er sprake is van reflectie als gevolg van de aanwezigheid van verkeersborden, overweegt het hof dat de omstandigheid dat bepaalde voorwerpen (zoals verkeersborden) op de foto oplichten door de weerkaatsing van het flitslicht, iets anders is dan wanneer een object zich in de radarbundel bevindt waardoor het radarsignaal wordt gereflecteerd.
21. De betrokkene ontkent voorts dat hij de maximum snelheid heeft overschreden. Er was geen juiste bebording geplaatst op de door hem gereden route. Uit het dossier is niet gebleken dat (kort) voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd. Tot stelt de betrokkene dat hij ten onrechte niet is staandegehouden.
22. De onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), waarin is bepaald dat de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom 50 km/h bedraagt. Het begin van de bebouwde kom wordt aangegeven door middel van een bord H1 van bijlage 1 van het RVV 1990. Om vast te kunnen stellen dat de gedraging is verricht, is niet noodzakelijk dat wordt vastgesteld dat iedere toegangsweg tot de bebouwde kom van een bord H1 is voorzien. Voldoende is dat de toegangsweg waarlangs de bestuurder van het voertuig de bebouwde kom is ingereden is voorzien van een bord H1. Dit uitgangspunt brengt mee dat een betrokkene die stelt dat ten tijde van de gedraging deugdelijke bebording ontbrak, moet aangeven welke route de bestuurder heeft afgelegd om zijn bestemming te bereiken (vgl. het arrest van het hof van 28 februari 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:1803).
23. De betrokkene heeft dit niet gedaan. Eerder in de procedure heeft de betrokkene aangegeven dat hij kwam vanaf de Bennebroekerlaan. De advocaat-generaal heeft in het verweerschrift aangegeven dat deze laan volledig binnen de bebouwde kom ligt, zodat op basis daarvan niet kan worden vastgesteld waar de betrokkene de bebouwde kom binnen is komen rijden. Nu de betrokkene niet nader heeft geconcretiseerd waar hij de bebouwde kom binnen is komen rijden, ontbreekt de noodzaak tot het vaststellen van de aanwezigheid van de bebording H1 ten tijde van de gedraging.
De grond treft geen doel.
24. Gelet op het voorgaande kan op grond van de gegevens in het dossier worden vastgesteld dat met het voertuig van de betrokkene op voormelde datum, tijd en locatie is gereden met een (gecorrigeerde) snelheid van 69 kilometer per uur, terwijl de maximumsnelheid 50 kilometer per uur bedroeg. Ook tijdens een inhaalmanoeuvre mag de toegestane maximumsnelheid niet worden overschreden. Anders dan de betrokkene meent, geldt deze regel ook voor bestuurders van motorfietsen.
25. Het hof overweegt voorts dat uit artikel 5 vanPro de Wahv volgt dat het uitgangspunt is dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder aanstonds vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
26. De verklaring van de ambtenaar dat sprake was van een eenmanscontrole houdt naar het oordeel van het hof genoegzaam in dat in dit geval zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan. De sanctie mocht daarom aan de betrokkene als kentekenhouder worden opgelegd.
27. Voor zover de betrokkene stelt dat de ambtenaar een valse verklaring heeft afgegeven omdat de ambtenaar verklaart dat de bestuurder een man was, terwijl de betrokkene niet is staandegehouden en hij een helm droeg, merkt het hof het volgende op. In het zaakoverzicht staat onder de kop ‘opgaven RDW’ - onder meer - aangegeven dat de betrokkene van het mannelijk geslacht is. Anders dan de betrokkene meent, blijkt hieruit niet dat de ambtenaar heeft waargenomen dat de bestuurder van het voertuig van het mannelijk geslacht is, maar slechts dat hij heeft waargenomen dat de gedraging met dit voertuig is verricht en dat de gegevens van de RDW inhouden dat de kentekenhouder van het voertuig van het mannelijk geslacht is. Het voorgaande geldt eveneens voor wat betreft de in het zaakoverzicht opgenomen gegevens met betrekking tot de kleur van het voertuig.
28. Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Het door de gemachtigde gedane verzoek tot het oproepen van de betreffende ambtenaar als getuige zal om die reden worden afgewezen.
29. De aangevoerde gronden treffen geen doel.
30. Gelet op het voorgaande wordt de beslissing van de kantonrechter bevestigd en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Werdmüller von Elgg als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.