De eigenaar van een jacht heeft de werf aansprakelijk gesteld voor de schade die is ontstaan doordat het jacht is gezonken. Het hof stelt vast dat het jacht voorafgaand aan de koop en gedurende een periode daarna in het water lag zonder dat er sprake was van lekkage. Vervolgens heeft het jacht in de winterstalling gestaan zonder dat er beschadigingen aan de romp werden geconstateerd die lekkage konden verklaren.
Na het te water laten van het jacht op 1 juni 2016 is het schip een dag later gezonken. Er is geen bewijs dat de werf werkzaamheden aan het schip heeft verricht of schade heeft veroorzaakt. De eigenaar heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het zinken te wijten is aan een tekortkoming van de werf. De werf stelde dat de waterkranen van het sanitair openstonden, wat het bestaan van een gebrek weerspreekt.
Het hof oordeelt dat de eigenaar de kosten van liggeld en beredderingskosten moet voldoen, omdat hij de boot op de kade heeft laten staan en de overeenkomst tot winterstalling vaststaat. De vordering tot schadevergoeding wegens het zinken van het schip wordt afgewezen. De proceskosten worden aan de eigenaar opgelegd, waarbij de kosten in de vrijwaringszaak worden gehalveerd vanwege de inhoudelijke overlap met de hoofdzaak.