Uitspraak
[verzoeker] ,
€ 680,00 +
€ 71.000,00 (éénenzeventigduizend euro);
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade en gemaakte kosten vanwege onrechtmatige vrijheidsbeneming in twee perioden van voorarrest. De eerste periode liep van 13 februari 2018 tot 16 mei 2018, waarin verzoeker 93 dagen in voorarrest verbleef, waarvan 46 dagen in een politiecel of beperkingen. De tweede periode liep van 5 oktober 2020 tot 12 mei 2022, met 585 dagen voorarrest, waarvan 38 dagen in een politiecel of beperkingen.
Het hof heeft het verzoek behandeld en de advocaat-generaal gehoord. Het hof stelt vast dat de strafzaak tegen verzoeker is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel. Op basis van de gebruikelijke tarieven kent het hof een vergoeding toe van €130 per dag in een politiecel of beperkingen en €100 per dag in een huis van bewaring. Daarnaast wordt een vergoeding van €680 toegekend voor de kosten van het indienen en behandelen van het verzoek, waarbij het hof geen aanleiding ziet voor een hogere vergoeding.
De totale vergoeding bedraagt €71.000, waarvan €9.300 voor de eerste periode in het huis van bewaring, €1.380 voor de politiecel/beperkingen in die periode, €58.500 voor de tweede periode in het huis van bewaring en €1.140 voor de politiecel/beperkingen in die periode. Het hof wijst het verzoek voor overige vergoedingen af en beveelt uitbetaling van het toegekende bedrag ten laste van de Staat.
Uitkomst: Het hof kent verzoeker een vergoeding van €71.000 toe voor immateriële schade en kosten wegens onrechtmatig voorarrest.