ECLI:NL:GHARL:2024:4525

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 juli 2024
Publicatiedatum
9 juli 2024
Zaaknummer
200.336.520
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:431 BWArt. 1:450 BWArt. 1:435 BWArt. 1:452 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging bewind en mentorschap zonder benoeming onafhankelijke bewindvoerder en mentor

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of een onafhankelijke bewindvoerder en mentor moesten worden benoemd voor [naam1], die vanwege haar lichamelijke en geestelijke toestand onder bewind en mentorschap is gesteld. De kantonrechter had reeds op 11 oktober 2023 een bewind ingesteld over haar goederen en een mentorschap ingesteld, waarbij haar kinderen als bewindvoerder en mentor waren benoemd.

De verzoeker in hoger beroep, de partner van [naam1], betwistte niet langer de instelling van bewind en mentorschap zelf, maar verzocht om vervanging van de benoemde personen door een externe, onpartijdige partij. Hij stelde dat de huidige situatie voor onrust zorgt en de onderlinge verhoudingen zijn verslechterd.

Het hof oordeelde dat er geen aanwijzingen zijn dat de huidige bewindvoerder en mentor hun wettelijke taken niet naar behoren vervullen. De wettelijke voorkeur voor familieleden als bewindvoerder en mentor wordt gevolgd, zeker omdat [naam1] haar voorkeur niet kan uiten en de verzoeker zelf geen functie wenst. De bestreden beschikkingen werden daarom bekrachtigd en de verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten wegens het nodeloos aanspannen van de procedure.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het bewind en mentorschap en wijst het verzoek tot benoeming van een onafhankelijke bewindvoerder en mentor af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.336.520
(zaaknummers rechtbank Gelderland 10700411 (bewind) en 10700412 (mentorschap))
beschikking van 9 juli 2024
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. W. Vahl,
en
[verweerder],
verder te noemen: [verweerder] ,
en
[verweerster],
verder te noemen: [verweerster] ,
beiden wonende te [woonplaats1] ,
verweerders in hoger beroep,
advocaat: mr. M.V. Scheffer.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:
[naam1],
wonende te [woonplaats2] ,
verder te noemen: [naam1] ,
en
[naam2],
wonende te [woonplaats3] ,
verder te noemen: [naam2] .

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 oktober 2023, uitgesproken onder voormelde zaaknummers, hierna ook te noemen: de bestreden beschikkingen.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het beroepschrift met producties, ingekomen op 10 januari 2024;
  • het verweerschrift met producties, en
  • een brief van [verweerder] en [verweerster] van 7 februari 2024.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 21 juni 2024 plaatsgevonden. Aanwezig zijn:
  • [verzoeker] en zijn advocaat;
  • [verweerder] en [verweerster] en hun advocaat, en
  • [naam2] .

3.De feiten

3.1
[naam1] is geboren [in] 1946. [naam1] is de partner van [verzoeker] en de moeder van [verweerder] , [verweerster] en [naam2] .
3.2
Bij verzoekschriften, ingekomen bij de kantonrechter op 7 september 2023, hebben [verweerder] en [verweerster] verzocht een bewind in te stellen over de goederen die (zullen) toebehoren aan [naam1] , en ook een mentorschap ten behoeve van [naam1] .

4.De omvang van het geschil

4.1
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikkingen van 11 oktober 2023 heeft de kantonrechter een bewind ingesteld over de goederen en gelden die (zullen) toebehoren aan [naam1] en een mentorschap over [naam1] wegens haar lichamelijke of geestelijke toestand, met benoeming van [verweerder] tot bewindvoerder en [verweerster] tot mentor.
4.2
[verzoeker] is met vier grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikkingen. [verzoeker] verzoekt het hof de bestreden beschikkingen te vernietigen en, opnieuw beschikkende:
primair:
de verzoeken tot onderbewindstelling en instellen mentorschap ten aanzien van [naam1] alsnog af te wijzen;
subsidiair:
de huidige bewindvoerder en mentor ontslag te verlenen, onder gelijktijdige benoeming van een externe, onpartijdige en professionele partij of instelling als nieuwe bewindvoerder en mentor.
4.3
[verweerder] en [verweerster] voeren verweer en vragen het hof het hoger beroep van [verzoeker] ongegrond te verklaren, de bestreden beschikkingen te bekrachtigen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

5.De motivering van de beslissing

Wat staat er in de wet?
bewind
5.1
Op grond van artikel 1:431 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kantonrechter een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.
mentorschap
5.2
Op grond van artikel 1:450 lid 1 BW Pro kan de kantonrechter indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen.
Het oordeel van het hof
5.3
Het hof overweegt dat namens [verzoeker] op de zitting zijn verzoek in hoger beroep ten aanzien van het bewind en het mentorschap is gewijzigd. Hij richt zich niet langer tegen de instelling van een bewind en een mentorschap, maar uitsluitend op de persoon van de te benoemen bewindvoerder en mentor.
5.4
[verzoeker] wil dat er een onafhankelijke bewindvoerder en mentor wordt benoemd, omdat - samengevat - de benoeming van [verweerder] tot bewindvoerder en [verweerster] tot mentor voor veel onrust en ruis op de lijn zorgt en de onderlinge verstandhoudingen sedertdien nogal bekoeld zijn geraakt.
[verweerder] , [verweerster] en ook [naam2] zijn het daarmee niet eens. Zij stellen - samengevat - dat [naam1] gewend is aan de huidige situatie en dat het niet in haar belang is om daarin verandering aan te brengen. De huidige bewindvoerder en mentor zijn haar kinderen, met wie zij een zeer goede band heeft. Als al sprake is van spanningen, dan worden deze veroorzaakt door [verzoeker] omdat hij ten onrechte [verweerster] beschuldigt van het vervalsen van handtekeningen en het besluiten tot of initiëren van het locatieverbod.
5.5
Het hof overweegt als volgt.
Uit de stukken en wat op de zitting is besproken blijkt dat [verzoeker] vooral veel moeite heeft met het feit dat hij [naam1] maar beperkt mag bezoeken en zich onheus behandeld voelt door [verweerder] en [verweerster] . Daarover kan het hof geen beslissing nemen: de vraag die het hof moet beantwoorden is of [verweerder] en [verweerster] hun wettelijke taak als bewindvoerder respectievelijk mentor naar behoren uitvoeren. Het hof is van oordeel dat [verzoeker] op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat [verweerder] en [verweerster] de door de wet opgelegde verplichtingen niet of onvoldoende zijn nagekomen. Ook anderszins is het hof niet gebleken van steekhoudende bezwaren tegen de persoon van [verweerder] als bewindvoerder en van [verweerster] als mentor. Bovendien wordt met deze benoemingen de wettelijke voorkeur van artikel 1:435 lid 4 BW Pro en artikel 1:452 lid 4 BW Pro gevolgd, omdat [naam1] vanwege haar geestelijke toestand niet in staat is haar voorkeur voor een bewindvoerder en mentor kenbaar te maken en [verzoeker] op de zitting heeft gezegd dat hij niet zelf bewindvoerder en mentor wil zijn.
5.6
Op grond van het vorenstaande zal hof dan ook de bestreden beschikkingen bekrachtigen voor zover het betreft de persoon van de te benoemen bewindvoerder en mentor.
Proceskostenveroordeling
5.7
Het hof zal [verzoeker] - zoals door [verweerder] en [verweerster] verzocht - als de in het ongelijk te stellen partij veroordelen in de kosten van de procedure. Het hof past het liquidatietarief toe en stelt deze kosten aan de zijde van [verweerder] en [verweerster] vast op € 2.428,- voor salaris advocaat (tarief II, € 1.214,- per punt, één punt voor het verweerschrift, één punt voor de zitting bij het hof).
Het hof is van oordeel dat [verzoeker] in dit geval [verweerder] en [verweerster] nodeloos en lichtvaardig tot een procedure heeft gedwongen. De appelprocedure is niet bedoeld recht te doen aan het gevoel van [verzoeker] dat hij zich onheus behandeld voelt door [verweerder] en [verweerster] . Als [verzoeker] behoefte had aan bemiddeling, zoals hij op de zitting heeft gezegd, lag het op zijn weg om daarvoor het initiatief te nemen. Bovendien werd pas op de zitting duidelijk dat de procedure in hoger beroep in werkelijkheid alleen nog ging over de persoon van de te benoemen bewindvoerder en mentor, terwijl [verzoeker] heeft nagelaten een andere bewindvoerder en mentor voor te stellen.

6.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
in de zaak 10700411 (bewind)
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 oktober 2023;
in de zaak 10700412 (mentorschap)
bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 oktober 2023;
in beide zaken
veroordeelt [verzoeker] in de kosten van de procedure tot aan deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] en [verweerster] vastgesteld op € 2.428,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. J.B. de Groot, K.A.M. van Os-ten Have en S. Kuijpers en is op 9 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.