De ouders zijn sinds 2020 gescheiden en hadden gezamenlijk gezag over hun twee minderjarige kinderen, geboren in 2008 en 2011. De moeder verzocht de rechtbank om haar alleen met het gezag te belasten, maar dit verzoek werd afgewezen. In hoger beroep heeft de moeder dit verzoek herhaald, waarbij de vader geen verweer voerde.
Tijdens de procedure sprak het hof met de minderjarigen en vond een mondelinge behandeling plaats waarbij de vader niet verscheen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde het gezag aan de moeder toe te wijzen, vanwege de forse problematiek bij de jongste minderjarige en het gebrek aan betrokkenheid van de vader bij hulpverlening en belangrijke beslissingen.
Het hof oordeelde dat het belang van de kinderen vereist dat het gezag aan één ouder wordt toegekend. De vader gaf weliswaar formeel toestemming, maar was inhoudelijk niet betrokken en slecht bereikbaar, waardoor hij zijn gezagsverantwoordelijkheden niet invulde. Daarom werd het gezamenlijk gezag beëindigd en het eenhoofdig gezag aan de moeder toegekend. Het hof schreef ook een persoonlijke brief aan de jongste minderjarige om de beslissing op begrijpelijke wijze toe te lichten.