Belanghebbende is eigenaar van een woning waarvoor de heffingsambtenaar een aanslag onroerendezaakbelasting (OZB) voor 2018 heeft opgelegd. Na een fiscaal compromis (vso) gesloten in 2019 tussen de gemachtigde van belanghebbende en de invorderingsambtenaar, stelde belanghebbende dat de aanslag OZB 2018 niet meer mocht worden opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde.
Het Hof oordeelt dat de vso betrekking heeft op reeds opgelegde aanslagen en niet strekt tot het verhinderen van het opleggen van nieuwe aanslagen, zoals de aanslag OZB 2018 die in november 2020 is opgelegd. De aanslag is tijdig en rechtsgeldig opgelegd binnen de wettelijke termijn van drie jaar. Daarnaast is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel of andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Belanghebbende stelde ook dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden en verzocht om vergoeding van immateriële schade. Het Hof constateert dat de termijnen binnen redelijke grenzen zijn gebleven en wijst dit verzoek af. Ook de grieven over motivering en proceskosten worden ongegrond verklaard. Het hoger beroep wordt derhalve ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.