De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €310 wegens parkeren op een gehandicaptenparkeerplaats zonder duidelijk zichtbare gehandicaptenparkeerkaart. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, omdat het beroepschrift te laat was ingediend. Het hof oordeelt echter dat het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat het beroepschrift voortijdig was ingediend maar de gemachtigde redelijkerwijs kon menen dat het besluit reeds tot stand was gekomen.
De gemeente had het beroepschrift moeten doorzenden naar de officier van justitie, aangezien zij niet bevoegd was om op het bezwaar te beslissen. De gedraging van parkeren zonder zichtbare kaart wordt niet betwist, maar de gemachtigde voert aan dat hij al vijftien jaar een gehandicaptenparkeerkaart bezit en deze normaal altijd zichtbaar legt. Het hof acht dit een bijzondere omstandigheid die matiging van de sanctie rechtvaardigt.
De advocaat-generaal adviseert de sanctie te matigen tot €30, hetgeen het hof volgt. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard, de eerdere beslissingen worden vernietigd en de sanctie wordt verlaagd. Tevens wordt bepaald dat eventueel teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.