ECLI:NL:GHARL:2024:4686

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 juli 2024
Publicatiedatum
16 juli 2024
Zaaknummer
200.341.941/02
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 360 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing verbod verhuizen en schoolgebod in gezagszaak minderjarige

In deze zaak gaat het om een geschil tussen ouders die gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kind, waarbij de moeder verboden is om met het kind te verhuizen en verplicht is het kind naar een school in de oorspronkelijke woonplaats te laten gaan. De rechtbank had deze maatregelen opgelegd met dwangsommen en deze waren uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De moeder verzocht het hof om schorsing van deze beschikking, stellende dat de dwangsommen en het schoolgebod onterecht waren. Het hof overwoog dat schorsing mogelijk is indien de oorspronkelijke beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad is of indien sprake is van een kennelijke misslag, maar dat dit niet het geval was. De rechtbank had het schoolgebod niet buiten de rechtsstrijd genomen en de belangenafweging was zorgvuldig gemaakt.

De vader stelde dat het belang van het kind het best gediend is met terugkeer naar een school in de oorspronkelijke woonplaats, en het hof onderschreef dit standpunt. Daarnaast oordeelde het hof dat de moeder onnodig procedeert en zich niet aan rechterlijke beslissingen houdt, waardoor zij veroordeeld werd tot betaling van de proceskosten van het incident.

Het hof wees het verzoek tot schorsing af en veroordeelde de moeder tot betaling van € 2.428,- aan proceskosten, waarbij deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en veroordeelt de moeder tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.341.941/02
(zaaknummers rechtbank Gelderland 430579 en 431111)
beschikking van 16 juli 2024 op het verzoek tot schorsing
inzake
[verzoekster],
wonende te [woonplaats1] ,
verzoekster,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. W.G. Kuster-van de Ven,
en
[verweerder],
wonende te [woonplaats1] ,
verweerder,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. C.H.J. Willemsen.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 1 maart 2024, uitgesproken onder voormelde zaaknummers. Bij deze beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, de moeder verboden om met [de minderjarige] naar [plaats1] te verhuizen onder verbeurte van een dwangsom aan de vader (van € 50 per dag met een maximum van € 10.000) en de moeder geboden om [de minderjarige] binnen 4 weken na die beschikking weer in [woonplaats1] naar school te laten gaan onder verbeurte van een dwangsom (van € 50 per dag met een maximum van € 10.000).
Deze beslissingen zijn door de rechtbank, zonder nadere motivering, uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
2. Het geding in hoger beroep in de hoofdzaak en met betrekking tot het verzoek tot schorsing
2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift tevens verzoek tot schorsing met bijlagen, ingekomen op 31 mei 2024;
- het verweerschrift tegen het verzoek tot schorsing met bijlagen.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 9 juli 2024 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

3.De feiten

3.1
De moeder en de vader zijn gezamenlijk belast met het gezag over [de minderjarige] , geboren [in] 2014 te [woonplaats1] .
3.2.
[de minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Aan de orde is het verzoek van de moeder schorsing te bevelen van de werking van de bestreden beschikking voor zover daarbij de moeder (onder verbeurte van een dwangsom) is verboden om met [de minderjarige] naar [plaats1] te verhuizen en de moeder is geboden om (onder verbeurte van een dwangsom) [de minderjarige] weer in [woonplaats1] naar school te laten gaan. De vader voert hiertegen verweer. Hij verzoekt de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek dan wel haar verzoek af te wijzen en de moeder te veroordelen in de proceskosten.
4.2
Hoger beroep schorst de werking, tenzij de beschikking uitvoerbaar bij voorraad is verklaard. Op grond van artikel 360 lid Pro 2, tweede volzin, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan het hof, indien hoger beroep is ingesteld tegen een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, alsnog de werking schorsen als het belang van de veroordeelde partij bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt dan het belang van de wederpartij. Het hof gaat uit van de overwegingen en beslissingen van de beschikking van de rechtbank. De kans van slagen van het hoger beroep blijft daarbij buiten beschouwing. Als blijkt dat de beslissing van de rechtbank op een kennelijke misslag berust, kan het hof daaraan wel gevolgen voor de uitvoerbaarheid verbinden.
4.3
Het hof wijst het verzoek van de moeder af. Anders dan de moeder stelt is niet gebleken dat sprake is van een kennelijke misslag voor wat betreft de dwangsom die de rechtbank heeft verbonden aan het gebod om [de minderjarige] weer in [woonplaats1] naar school te laten gaan. De rechtbank is met dit gebod niet buiten de rechtsstrijd getreden. Vast staat dat [de minderjarige] naar de basisschool [naam1] in [woonplaats1] ging en de rechtbank het verzoek van de moeder tot het verlenen van vervangende toestemming tot inschrijving op een school in [plaats1] heeft afgewezen. Ook staat vast dat de vader de rechtbank heeft verzocht om de moeder te bevelen [de minderjarige] weer naar de basisschool [naam1] te laten gaan onder verbeurte van een dwangsom. De rechtbank heeft dat verzoek toegewezen met dat verschil dat de rechtbank het gebod niet heeft beperkt tot een terugkeer naar “de basisschool [naam1] in [woonplaats1] ” maar heeft gekoppeld aan “een school in [woonplaats1] ”. Met die beslissing heeft de rechtbank “het mindere” van het verzoek van de vader toegewezen en daarmee is ook ten voordele van de moeder beslist.
Voor zover de moeder aan haar verzoek feiten en omstandigheden ten grondslag legt die bij het nemen van de beslissing van de rechtbank niet in aanmerking konden worden genomen, gaat het hof daaraan voorbij omdat die stelling van de moeder berust op een onjuist toetsingskader. De rechtbank heeft immers de beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad in de ten uitvoer te leggen beslissingen niet gemotiveerd als gevolg waarvan het toetsingskader geldt zoals hiervoor onder 4.2 overwogen.
Voor zover de moeder heeft bedoeld dat de belangenafweging in haar voordeel dient uit te vallen omdat de vader een terugkeer van [de minderjarige] naar de basisschool [naam1] (ook) niet langer in zijn belang vindt, slaagt die stelling niet. Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt namelijk dat de vader een terugkeer van [de minderjarige] naar een school in [woonplaats1] zoals ook door de rechter is bepaald het meest in het belang van [de minderjarige] vindt. De vader gaat daarbij uit van een terugkeer van [de minderjarige] naar de basisschool [naam1] in [woonplaats1] , met dien verstande dat hij open staat voor een andere school in [woonplaats1] als dat de wens van [de minderjarige] is.
4.4
Het hof wijst het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de proceskosten toe. De reden daarvoor is dat het hof gebleken is dat de moeder nodeloos procedeert. Zij houdt zich niet aan de beslissingen van de rechter en neemt de dwangsommen voor lief. Bij het hof heeft de moeder nu een verzoek tot schorsing van die beslissingen ingediend maar op de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft zij al (zelfs herhaaldelijk) verklaard dat zij zich niet aan de beslissing van het hof zal houden als het hof niet in haar voordeel beslist. Daarvan uitgaande betekent dat dat de vader, die anders dan de moeder niet op toevoeging procedeert, onnodig op kosten wordt gejaagd. Aan het nodeloos gebruik dat de moeder met haar handelen maakt van de naar hun aard limitatieve middelen van gefinancierde rechtsbijstand kan het hof geen gevolgen verbinden.
De door de moeder aan de vader te betalen proceskosten in dit incident stelt het hof vast op
€ 2.428,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (2 punten x € 1.214,- (tarief II)).

5.Slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof het verzoek van de moeder om schorsing te bevelen ten aanzien van de werking van de bestreden beschikking voor zover in dit incident aan de orde afwijzen en het verzoek van de vader om de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure toewijzen.

6.De beslissing

Het hof:
wijst het verzoek van de moeder tot schorsing af;
veroordeelt de moeder tot betaling aan de vader van de proceskosten van het incident, aan de zijde van de vader begroot op € 2.428,-;
verklaart deze beschikking voor zover het de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, I.G.M.T. Weijers-van der Marck en M.H.F. van Vugt, bijgestaan de griffier, en op 16 juli 2024 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.