Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak gaat het om een geschil tussen ouders die gezamenlijk het gezag hebben over hun minderjarige kind, waarbij de moeder verboden is om met het kind te verhuizen en verplicht is het kind naar een school in de oorspronkelijke woonplaats te laten gaan. De rechtbank had deze maatregelen opgelegd met dwangsommen en deze waren uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
De moeder verzocht het hof om schorsing van deze beschikking, stellende dat de dwangsommen en het schoolgebod onterecht waren. Het hof overwoog dat schorsing mogelijk is indien de oorspronkelijke beschikking niet uitvoerbaar bij voorraad is of indien sprake is van een kennelijke misslag, maar dat dit niet het geval was. De rechtbank had het schoolgebod niet buiten de rechtsstrijd genomen en de belangenafweging was zorgvuldig gemaakt.
De vader stelde dat het belang van het kind het best gediend is met terugkeer naar een school in de oorspronkelijke woonplaats, en het hof onderschreef dit standpunt. Daarnaast oordeelde het hof dat de moeder onnodig procedeert en zich niet aan rechterlijke beslissingen houdt, waardoor zij veroordeeld werd tot betaling van de proceskosten van het incident.
Het hof wees het verzoek tot schorsing af en veroordeelde de moeder tot betaling van € 2.428,- aan proceskosten, waarbij deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot schorsing af en veroordeelt de moeder tot betaling van proceskosten.