ECLI:NL:GHARL:2024:4753

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
18 juli 2024
Publicatiedatum
18 juli 2024
Zaaknummer
Wahv 200.339.608/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 WahvArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens rijden op fietspad met motorfiets

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een sanctiebeslissing van de officier van justitie wegens rijden op het fietspad met een motorfiets op 24 januari 2022 te Amsterdam. De kantonrechter had het beroep gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie ambtshalve gematigd tot €112,50.

Het hof constateerde dat de betrokkene niet deugdelijke was opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, wat in strijd is met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en beoordeelde het zelf het beroep tegen de officier van justitie.

Op basis van de verklaring van de verbalisant en visuele inspectie via Google Maps stelde het hof vast dat de betrokkene het fietspad gebruikte om voertuigen in te halen, zonder gerechtvaardigde reden. De betrokkene's stelling dat het onmogelijk was om veilig van het fietspad op de rijbaan te komen, werd niet gevolgd.

Het hof paste de door de kantonrechter ambtshalve toegepaste matiging van 25% toe om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan zonder hoger beroep. De sanctie werd vastgesteld op €112,50. Tevens werd bepaald dat eventueel teveel gestelde zekerheid wordt gerestitueerd.

Uitkomst: De sanctie wegens rijden op het fietspad met motorfiets wordt gematigd tot €112,50 wegens schending van de hoorplicht.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.339.608/01
CJIB-nummer
: 247705075
Uitspraak d.d.
: 18 juli 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 23 januari 2024, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond verklaard en de sanctie gematigd tot een bedrag van € 112,50.

Het verloop van de procedure

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De betrokkene voert aan geen uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter te hebben ontvangen.
2. Artikel 12, eerste lid, van de Wahv luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
“De kantonrechter stelt, alvorens te beslissen, partijen in de gelegenheid om op een openbare zitting hun zienswijze nader toe te lichten. Zij worden daartoe door de griffier opgeroepen.”
3. In het dossier bevindt zich een brief van de griffier van de rechtbank van 21 december 2023, waarin de betrokkene wordt opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter van 23 januari 2024. Nu de rechtbank niet over een deugdelijke verzendadministratie beschikt, de oproep voor de zitting niet aangetekend is verzonden en de ontvangst hiervan in hoger beroep wordt betwist, kan het hof niet vaststellen dat de betrokkene behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter. Daardoor is gehandeld in strijd met artikel 12, eerste lid, van de Wahv. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie.
4. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 150,- voor: “rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 januari 2022 om 16.08 uur op Jan van Galenstraat 118h in Amsterdam met een motorfiets met het kenteken [kenteken] .
5. De betrokkene voert aan dat de Jan van Galenstraat een drukke weg is, het betreffende fietspad vanaf de Kruidvat tot het verkeerslicht ongeveer 50 meter lang is en de hoogte van de stoep van het fietspad ongeveer 20 cm is. Door dit hoogteverschil en de gevaarlijke verkeerssituatie op de Jan van Galenstraat is het voor scooterrijders vrijwel onmogelijk om veilig op de weg te komen zonder een klein stukje fietspad te gebruiken. Daarbij merkt de betrokkene op dat vanwege het drukke verkeer onpraktisch en gevaarlijk is om af te stappen en met de scooter over de stoep te lopen.
6. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag dat bovengenoemd voertuig over het fietspad reed aangegeven met bord G11 van het RVV 1990. (…) Ik zag dat betrokkene reed op de openbare weg, de Jan van Galenstraat en gaande in de richting van de Hoofdweg. Ik zag dat de betrokkene het fietspad gebruikte om voertuigen in te halen die stonden te wachten voor het rode verkeerslicht.”
8. Verder bevat het dossier een door de advocaat-generaal ingebrachte schermafdruk van Google Maps Street View van de locatie van de gedraging. Hierop is te zien dat rechts naast de rijbaan van de Jan van Galenstraat (in de richting van de Hoofdweg) een fietspad is gelegen voorzien van rood asfalt. Direct naast dit fiets bevindt zich het trottoir dat doorloopt tot aan de daar gelegen panden (o.a. het Kruidvat). De overgang tussen het fietspad en de rijbaan wordt gevormd door een rij lichtgrijs gekleurde klinkers en een verhoogde straatband. Ter hoogte van de zijweg heeft de verhoogde straatband plaats gemaakt voor grijsgekleurde inritblokken. Het fietspad is aangegeven met een bord G11 en een onderbord met daarop de tekst ‘snorfietsen niet toegestaan’.
9. Naar aanleiding van de door de advocaat-generaal ingebrachte schermafdruk van Google Maps heeft het hof zich ook via Google Maps georiënteerd op de situatie ter plaatse. Hieruit volgt dat ter hoogte van het - verderop gelegen en door de betrokkene genoemde - verkeerslicht sprake is van een verlaagde afscheiding tussen het fietspad en de rijbaan.
10. Gelet op het bovenstaande volgt het hof niet de stelling van de betrokkene dat het feitelijk onmogelijk is om met een motorfiets (veilig) van het fietspad op de rijbaan te komen. Verder volgt uit de verklaring van de ambtenaar dat de bestuurder van de motorfiets van het fietspad gebruikmaakte om de voertuigen in te halen die voor het rode verkeerslicht stonden te wachten, zodat er geen gerechtvaardigde reden was tot gebruik van het fietspad. Wat de betrokkene verder heeft aangevoerd geeft het hof ook geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de ambtenaar. Vastgesteld kan worden dat de gedraging is verricht.
11. Het hof stelt vast dat de kantonrechter vanwege schending van de hoorplicht door de officier van justitie (ambtshalve) het bedrag van de sanctie met 25 procent heeft gematigd. Om de betrokkene niet in een nadeliger positie te brengen dan hij zou zijn geweest wanneer hij geen hoger beroep zou hebben ingesteld, zal het hof deze matiging eveneens toepassen.
12. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 112,50;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Swart als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.