Veroordeelde was onderworpen aan een ontnemingsmaatregel van ruim 10 miljoen euro, waarvan een groot deel nog openstond. Lijfsdwang werd sinds 2015 ten uitvoer gelegd om betaling af te dwingen. Veroordeelde heeft langdurig in detentie verbleven en meerdere pogingen gedaan om een betalingsregeling te treffen met het CJIB, maar de voorgestelde startbedragen waren onhaalbaar.
De advocaat-generaal verzocht afwijzing van het verzoek tot opheffing van de lijfsdwang, stellende dat geen betalingsonmacht was aangetoond. Het hof oordeelde echter dat veroordeelde aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van betalingsonmacht, niet van betalingsonwil, mede gelet op het feit dat hij ruim 18 maanden langer in detentie verbleef door het niet voldoen aan betalingsregelingen.
Het hof besloot daarom de lijfsdwang op te heffen met ingang van 1 juli 2024, zodat veroordeelde in de gelegenheid wordt gesteld een nieuwe haalbare betalingsregeling te treffen en inkomen te genereren. Het hof benadrukte dat bij toekomstige verbetering van de financiële situatie de lijfsdwang opnieuw kan worden ingezet.