ECLI:NL:GHARL:2024:4889

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
24 juli 2024
Publicatiedatum
24 juli 2024
Zaaknummer
Wahv 200.335.875/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • mr. Wijma
  • mr. Van der Zee-Venema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften met betrekking tot overschrijding van de redelijke termijn van berechting

In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N.G.A. Voorbach, heeft hoger beroep ingesteld omdat hij van mening is dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De kantonrechter had geoordeeld dat de enkele stelling van overschrijding van de redelijke termijn geen beroepsgrond vormt. Het hof heeft echter geoordeeld dat deze stelling wel degelijk een volwaardig formeel verweer is en dat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, aangezien de inleidende beschikking op 30 juli 2021 is verzonden en de kantonrechter pas op 23 november 2023 heeft beslist. Hierdoor heeft het hof besloten het sanctiebedrag te matigen met 25 procent. De betrokkene had een sanctie van € 152,- opgelegd gekregen voor het overschrijden van de snelheid op een weg buiten de bebouwde kom. Het hof heeft de beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, waarbij het sanctiebedrag is gewijzigd naar € 114,-.

Daarnaast heeft het hof de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.312,50. Het hof heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding, die volgens de nieuwe bepalingen van de Wahv uitsluitend aan de betrokkene zelf kunnen worden uitbetaald.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.335.875/01
CJIB-nummer
: 242852668
Uitspraak d.d.
: 24 juli 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank MiddenNederland van 23 november 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. N.G.A. Voorbach, kantoorhoudende te Zoetermeer.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie nietontvankelijk verklaard, omdat de gemachtigde van de betrokkene geen gronden van beroep heeft ingediend. Hierbij overweegt de kantonrechter dat de enkele aangevoerde stelling dat de redelijke termijn is overschreden op zichzelf geen beroepsgrond kan vormen.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de stelling dat de redelijke termijn van berechting is overschreden een volwaardig formeel verweer is, evenals in het geval wanneer enkel wordt aangevoerd dat de hoorplicht is geschonden. De gemachtigde had willen aanvoeren dat de bestuurder ten onrechte niet is staandegehouden, maar heeft hiervan afgezien nadat een aanvullend procesverbaal van 3 november 2023 is overgelegd.
3. Het hof stelt vast dat het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie geen grond bevat. In de aanvulling hierop van 7 november 2023 voert de gemachtigde alleen aan dat het sanctiebedrag gematigd dient te worden met 25 procent, omdat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
4. Naar het oordeel van het hof is dit een grond in de zin van artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht. De gemachtigde geeft een argument waarom de beslissing van de officier van justitie naar zijn mening niet in stand kan blijven en de inleidende beschikking zou moeten worden gewijzigd. Dat dit argument niet al bij het instellen van het beroep aan de orde is, doet hier niet aan af. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.
5. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 152,- voor: “17 km per uur harder rijden dan mag op een (auto)weg buiten de bebouwde kom”. Deze gedraging zou zijn verricht op 15 juli 2021 om 15:46 uur op de Zuiderringweg in Ens met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
6. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de betrokkene de gedraging ontkent. Deze enkele stelling vormt geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de gegevens in het dossier op basis waarvan de gedraging kan worden vastgesteld.
7. De gemachtigde voert verder aan dat de redelijke termijn van berechting is overschreden.
8. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De inleidende beschikking is op 30 juli 2021 verzonden en de kantonrechter heeft eerst op 23 november 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
9. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. De matiging van het sanctiebedrag vindt uitsluitend zijn grondslag in de overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. De proceskosten gemaakt in de fase van het administratief beroep komen niet voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting van de kantonrechter en het indienen van een hoger beroepschrift dienen in totaal drie punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.312,50 (= 3 x € 875,- x 0,5).
14. De gemachtigde voert – samengevat – nog aan dat de in artikel 13a, vijfde lid (het hof begrijpt: derde en vierde lid), van de Wahv neergelegde maatregel in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, dan wel het discriminatieverbod in de zin van artikel 14 van het EVRM en artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Er is geen onderbouwing gegeven voor de maatregel de proceskostenvergoeding rechtstreeks over te maken naar de betrokkene en het verbod tot cessie. De maatregel is daarmee niet voorzien van de noodzakelijke en redelijke rechtvaardiging en daarom in zoverre onverbindend, aldus de gemachtigde.
15. In artikel 13a, derde en vierde lid, van de Wahv, zoals deze bepalingen met ingang van 1 januari 2024 luiden, is bepaald dat de proceskostenvergoeding uitsluitend wordt uitbetaald op de rekening van de betrokkene en dat vorderingen tot deze uitbetaling niet vatbaar zijn voor vervreemding of verpanding. Het betreft hier de rechtstreeks uit de wet voortvloeiende wijze van uitvoering van een beslissing van de officier van justitie, de kantonrechter of het hof. Zoals het hof heeft overwogen in zijn arrest van 17 juni 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:4051, zijn de officier van justitie, de kantonrechter of het hof niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van hun beslissing een oordeel te geven. Het hof zal zich ter zake onbevoegd verklaren.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt gewijzigd in € 114,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.312,50;
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.