ECLI:NL:GHARL:2024:4889
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- mr. Wijma
- mr. Van der Zee-Venema
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften met betrekking tot overschrijding van de redelijke termijn van berechting
In deze zaak gaat het om een hoger beroep tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard. De betrokkene, vertegenwoordigd door mr. N.G.A. Voorbach, heeft hoger beroep ingesteld omdat hij van mening is dat de redelijke termijn van berechting is overschreden. De kantonrechter had geoordeeld dat de enkele stelling van overschrijding van de redelijke termijn geen beroepsgrond vormt. Het hof heeft echter geoordeeld dat deze stelling wel degelijk een volwaardig formeel verweer is en dat de kantonrechter ten onrechte het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is overschreden, aangezien de inleidende beschikking op 30 juli 2021 is verzonden en de kantonrechter pas op 23 november 2023 heeft beslist. Hierdoor heeft het hof besloten het sanctiebedrag te matigen met 25 procent. De betrokkene had een sanctie van € 152,- opgelegd gekregen voor het overschrijden van de snelheid op een weg buiten de bebouwde kom. Het hof heeft de beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, waarbij het sanctiebedrag is gewijzigd naar € 114,-.
Daarnaast heeft het hof de advocaat-generaal veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.312,50. Het hof heeft zich onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de bezwaren tegen de uitbetaling van de proceskostenvergoeding, die volgens de nieuwe bepalingen van de Wahv uitsluitend aan de betrokkene zelf kunnen worden uitbetaald.