ECLI:NL:GHARL:2024:491

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 januari 2024
Publicatiedatum
22 januari 2024
Zaaknummer
Wahv 200.325.689
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvArt. 5.1.1 Reglement voertuigenArt. 5.2.1 Reglement voertuigenArt. 40, eerste lid Wegenverkeerswet 1994Art. 6, eerste lid EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie wegens niet goed leesbaar kenteken op motorfiets

De betrokkene kreeg een sanctie van €140 opgelegd voor het rijden met een kenteken dat niet goed leesbaar was, vastgesteld op 22 oktober 2020 in Veenendaal. De betrokkene tekende beroep aan tegen deze sanctie, stellende dat de feitcode onjuist was toegepast omdat het kenteken niet was afgeschermd maar in een verkeerde hoek stond.

De gemachtigde verwees naar het Handboek regeling voertuigen en een eerder arrest, stellende dat feitcode K030a toepasselijk was in plaats van N010d. Het hof oordeelde echter dat het kenteken inderdaad niet goed leesbaar was en dat de sanctie terecht was opgelegd op grond van het Reglement voertuigen.

Het hof stelde ambtshalve vast dat de redelijke termijn voor berechting was overschreden, waardoor de sanctie met 25% werd gematigd tot €105. Tevens werd de proceskostenvergoeding van €875 toegekend aan de betrokkene. De beslissing van de kantonrechter werd vernietigd en het beroep van de betrokkene gegrond verklaard.

Uitkomst: Sanctie wegens niet goed leesbaar kenteken gematigd tot €105 en proceskostenvergoeding toegekend.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.325.689/01
CJIB-nummer
: 237377846
Uitspraak d.d.
: 22 januari 2024
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 22 februari 2023, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de geboden gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “N010d- als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het kenteken niet goed leesbaar is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 oktober 2020 om 15:55 uur op de locatie Schrijverspark in Veenendaal met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat uit het Handboek regeling voertuigen (hierna: het Handboek) dat gebruikt wordt op de politieacademie volgt dat feitcode N010D wordt gebruikt ingeval het kenteken wordt afgeschermd door een voertuigdeel. Dit is in onderhavige zaak niet aan de orde, nu uit de verklaring van de ambtenaar blijkt dat de hoek van het kenteken niet juist was. Wanneer deze situatie zich voordoet, moet gebruik worden gemaakt van feitcode K030a. Hierbij verwijst de gemachtigde naar een arrest van het hof van 5 april 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:2687). Dit volgt eveneens uit artikel 7 van Pro de Regeling kentekens en kentekenplaten (welk artikel weer is gebaseerd op artikel 40, derde lid, van de Wegenverkeerswet).
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik, verbalisant, zag betrokkene op een motorfiets reed waarvan de kentekenplaat in een dusdanige hoek was bevestigd dat het kenteken niet/nauwelijks leesbaar was. Toen aan de betrokkene een stopteken werd gegeven, zag ik dat de betrokkene met de voet de kentekenplaat volledig weg klapte, waardoor deze in het geheel niet meer zichtbaar was. Bij de staandehouding bleek de kentekenplaat te zijn bevestigd aan een draaibare as.”
5. De onderhavige gedraging met feitcode N010D betreft overtreding van artikel 5.1.1, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang met artikel 5.2.1., vijfde lid, van het Reglement voertuigen. Hierin is bepaald dat het kenteken goed leesbaar moet zijn en dat de kentekenplaten niet mogen zijn afgeschermd.
6. De ambtenaar verklaart dat het kenteken niet goed leesbaar was. De gedraging met feitcode N010D is daarmee verricht. Feitcode K030A betreft overtreding van artikel 40, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 waarin is bepaald dat het kenteken behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig aanwezig dient te zijn. Dat het kenteken in de onderhavige zaak – doordat het kennelijk op onjuiste wijze was aangebracht – niet alleen niet behoorlijk leesbaar maar daarnaast ook niet goed zichtbaar was, maakt niet dat de op artikel 5.2.1., vijfde lid, van het Reglement voertuigen gebaseerde sanctie ten onrechte aan de betrokkene is opgelegd.
7. Het hof stelt ambtshalve vast dat de redelijke termijn van berechting als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in eerste aanleg is overschreden. De betrokkene is op 22 oktober 2020 staandegehouden en de kantonrechter heeft eerst op 22 februari 2023 op het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beslist. Gelet hierop zal het hof het bedrag van de sanctie matigen met 25 procent (vgl. het arrest van het hof van 28 juli 2023, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2023:6369).
8. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
9. De proceskosten gemaakt in de fase waarin de redelijke termijn van berechting is overschreden komen voor vergoeding in aanmerking (vgl. ov. 26 van voormeld arrest van het hof van 28 juli 2023). Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter en het verschijnen op de zitting van de kantonrechter dienen in totaal twee punten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt voor het (hoger) beroep € 875,-. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 875,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond en wijzigt de inleidende beschikking in zoverre dat het sanctiebedrag wordt vastgesteld op € 105,-;
bepaalt dat als de betrokkene op grond van artikel 11 van Pro de Wahv teveel zekerheid heeft gesteld, het meerdere door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 875,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.