De betrokkene werd door de rechtbank veroordeeld wegens medeplichtigheid bij hennepteelt en diefstal van elektriciteit, waarbij een wederrechtelijk verkregen voordeel van €60.000 werd vastgesteld. In hoger beroep heeft het gerechtshof dit bedrag herzien op basis van een nieuwe berekening die rekening houdt met kosten voor elektriciteit en andere strafbare feiten, en het voordeel vastgesteld op €8.000.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en opnieuw recht gedaan. Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn heeft het hof de verplichting tot betaling aan de Staat op nihil gesteld, conform de vordering van de advocaat-generaal en het verzoek van de verdediging.
De beslissing is genomen op basis van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat gold ten tijde van de procedure. De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 26 juli 2024 na de terechtzitting van 12 juli 2024.