Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2024:4984

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 juni 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
AV000225-24
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 530 SvArt. 9a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding rechtsbijstand na staandehouding zonder formele verdachteaanmerking

Appellant verzocht om vergoeding van kosten rechtsbijstand en kosten van het verzoekschrift na een staandehouding in verband met een schietincident. Hoewel appellant niet formeel als verdachte was aangemerkt, werd hij behandeld als een verdachte doordat opsporingshandelingen zoals kledingonderzoek, doorzoeking van de auto en inbeslagname van de telefoon plaatsvonden.

De rechtbank verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk, maar het hof oordeelde dat appellant als een 'gewezen verdachte' in de zin van artikel 530, tweede lid, Sv kan worden beschouwd. Hierdoor komt appellant recht op vergoeding van de kosten van rechtsbijstand uit de rijkskas.

Het hof kende een vergoeding toe van €968 voor de kosten van de raadsvrouw en €1020 voor het behandelen van het verzoekschrift, totaal €1988. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en het verzoek in zoverre toegewezen.

De uitspraak benadrukt dat de formele status van verdachte niet doorslaggevend is wanneer opsporingshandelingen als bij een verdachte zijn verricht, en dat onder bijzondere omstandigheden vergoeding kan worden toegekend.

Uitkomst: Het hof kent appellant een vergoeding van €1988 toe voor kosten rechtsbijstand en behandeling verzoekschrift.

Uitspraak

beschikking

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem
Afdeling strafrecht
AV-nummer: Uitspraak d.d.:
000225-24
10 juni 2024
Beschikking van de meervoudige raadkamer op het hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 13 april 2023 op het verzoek ex
artikel 530van het Wetboek van Strafvordering van:

[appellant] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,
te dezer zake domicilie kiezende te 3016 BG Rotterdam, Van Vollenhovenstraat 37, ten kantore van zijn raadsvrouw mr. F.L.C. Schoolderman,
hierna te noemen: appellant.

Procesgang

Bij een op 22 december 2022 door de rechtbank ontvangen verzoekschrift heeft appellant verzocht om een vergoeding van € 968 uit ’s Rijks kas voor de gemaakte kosten van rechtsbijstand, zoals nader in het verzoekschrift omschreven. Daarnaast heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen en behandelen van dat verzoekschrift.
De rechtbank heeft bij voormelde beschikking appellant niet-ontvankelijk verklaard. Namens appellant is op 11 mei 2023 hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.
Het hoger beroep is door het hof op 13 mei 2024 in het openbaar in raadkamer behandeld, waarbij zijn gehoord de advocaat-generaal en namens appellant mr. Schoolderman.

Beoordeling van het verzoek

Uit het dossier blijkt het volgende.
Appellant bevond zich kort na een schietpartij in een afgezet gebied. De politie was aan het wachten op de Dienst Speciale Interventie om ter plaatse tuinen te doorzoeken om de verdachte van een schietpartij aan te houden. De politie heeft appellant - die zich enige tijd in het afgezette gebied ophield - bij het wegrijden laten stoppen, hem aangesproken, oppervlakkig aan de kleding onderzocht en in de auto van appellant gezocht naar wapens. Voorts is de telefoon van appellant na overleg met de officier van dienst door de politie in beslag genomen. De politie heeft geverbaliseerd dat de telefoon van appellant in beslag is genomen, nu er mogelijk meer informatie in zou staan omtrent het schietincident. Verdachte is destijds niet formeel als verdachte aangemerkt.
De raadsvrouw heeft het verzoek nader toegelicht en heeft gepersisteerd bij het verzoek.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de beschikking van de rechtbank kan worden bevestigd, nu appellant niet aangemerkt kan worden als een gewezen verdachte.
Gelet op de bijzondere omstandigheden bij staandehouding van appellant is het hof van oordeel dat appellant bij zijn staandehouding is behandeld als een verdachte, waarbij opsporingshandelingen zijn verricht, zoals hiervoor omschreven. Het hof is onder die specifieke omstandigheden van oordeel dat appellant als een "gewezen verdachte" in de zin van artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangemerkt. Het gegeven dat appellant niet formeel lijkt te zijn aangemerkt als verdachte in een strafzaak, maakt dat oordeel in dit geval niet anders.
Als de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan ingevolge artikel 530, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de kosten van rechtsbijstand.
Het verzoek zal - nu het hof verzoeker als gewezen verdachte beschouwt - in zoverre worden toegewezen.
Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding zal het hof als vergoeding voor de kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift een bedrag van € 1.020 toekennen nu het verzoekschrift in twee instanties is behandeld.
Het hof acht gronden van billijkheid aanwezig om aan appellant de navolgende vergoeding toe te kennen (voor):
- kosten raadsvrouw
€ 968
- kosten verzoek
€ 1.020+
Totaal

1.988

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Kent aan appellant toe een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van €
1.988,00 (duizend negenhonderdachtentachtig euro).
Wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van [naam] , onder vermelding van ' [appellant] '.
Aldus gegeven door
mr. O.G. Schuur, voorzitter,
mr. R.M. Maanicus en mr. J.L.F. Groenhuijsen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K. Bektaş, griffier,
door de voorzitter en de griffier ondertekend en op 10 juni 2024 ter openbare zitting
uitgesproken.