Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak in hoger beroep staat de vraag centraal of de man terecht gehouden is tot betaling van een hypothecaire geldlening van € 65.798,13 vermeerderd met 5% rente per jaar vanaf 1 juni 2001 aan de vrouw. Het hof verwijst naar eerdere tussenbeschikkingen en heeft nader getuigenverhoor verricht.
De man heeft geprobeerd tegenbewijs te leveren door verklaringen van zichzelf, de vrouw en de notaris, stellende dat de werkelijke afspraak was dat geen rente betaald hoefde te worden. Het hof oordeelt echter dat deze verklaringen onvoldoende zijn om het dwingende bewijs uit de notariële akte te ontzenuwen. De akte, inclusief de renteclausule, is door partijen ondertekend en weerspiegelt de werkelijke bedoeling, mede gelet op het vermogen van de vrouw en de uitsluitingsclausule.
Het beroep van de man op dwaling en verjaring wordt eveneens verworpen. De vrouw heeft tijdig haar vergoedingsrecht ingeroepen binnen de wettelijke verlengingsgrond. Het hof acht het beroep op redelijkheid en billijkheid onvoldoende onderbouwd om het beroep van de vrouw af te wijzen.
De zaak wordt aangehouden en samengevoegd met een andere procedure met zaaknummer 200.339.267, met een nieuwe mondelinge behandeling gepland op 30 september 2024. Het hof houdt verdere beslissing aan en roept partijen op voor de voortzetting van het geding.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat de man niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs tegen de renteverplichting en houdt de zaak aan voor verdere behandeling.