ECLI:NL:GHARL:2024:5242
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Raadkamer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing gevangenhouding en gevangenneming na verstrijken bewaringstermijn
Verdachte werd op 19 december 2022 in verzekering gesteld en op 22 december 2022 in bewaring gesteld, welke bewaring op 5 augustus 2024 eindigde. Verdachte werd veroordeeld tot 5 jaar en 4 maanden gevangenisstraf wegens meervoudige mishandeling met voorbedachten rade. Na hervatting van de bewaring op 22 juli 2024 werd hoger beroep ingesteld. De advocaat-generaal vorderde gevangenhouding en subsidiair gevangenneming wegens termijnverzuim.
Het hof oordeelde dat gevangenhouding niet mogelijk is omdat de bewaring reeds was geëindigd en dat gevangenneming op grond van artikel 66a Sv niet toepasbaar is omdat de opgelegde straf lager is dan acht jaar. Het hof benadrukte dat bewaring en gevangenhouding verschillende rechtsfiguren zijn en dat artikel 66a Sv niet analoog kan worden toegepast op bewaring.
De vordering van de advocaat-generaal werd daarom afgewezen. Het hof handhaafde de grenzen die de wetgever heeft gesteld aan de reparatiemogelijkheden bij termijnverzuim en wees op eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad ter ondersteuning van dit oordeel.
Uitkomst: De vordering tot gevangenhouding en gevangenneming wordt afgewezen omdat de bewaringstermijn is geëindigd en artikel 66a Sv niet van toepassing is.