Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag accijns opgelegd voor vijf dozen onveraccijnsde onversneden rooktabak, waarbij het gewicht per doos door de Inspecteur werd vastgesteld op 120 kilogram. De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de naheffingsaanslag verminderd.
In hoger beroep stond enkel het gewicht van de rooktabak per doos ter discussie. Belanghebbende stelde dat de dozen niet zwaarder dan 50 kilogram konden zijn omdat hij ze kon tillen, terwijl de Inspecteur vasthield aan het gewicht van 120 kilogram per doos, onderbouwd met het proces-verbaal van doorzoeking, foto’s en technische gegevens over de dozen en inhoud.
Het Hof oordeelde dat de Inspecteur voldoende aannemelijk had gemaakt dat het gewicht van 120 kilogram per doos niet te hoog was. De dozen waren groot, dubbelwandig, verzegeld en gevuld met geperste rooktabak, wat door de foto’s werd bevestigd. De enkele stelling van belanghebbende dat hij de dozen kon tillen, was onvoldoende om het door de Inspecteur gehanteerde gewicht te betwisten.
Daarmee werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.