De moeder en vader zijn samen ouders van een minderjarige geboren in 2021. Na het beëindigen van hun relatie verhuisde de moeder met het kind naar een andere woonplaats, wat de vader betwistte. De rechtbank verleende de moeder vervangende toestemming voor de verhuizing, en het hof bevestigt deze beslissing in hoger beroep.
De procedure omvatte schriftelijke stukken, een mondelinge behandeling waarbij ook de raad voor de kinderbescherming aanwezig was, en een zorgvuldige belangenafweging. Het hof hanteerde het toetsingskader van de Hoge Raad waarbij het belang van het kind centraal staat, maar ook de belangen van beide ouders worden meegewogen.
Het hof oordeelde dat de verhuizing naar de woonplaats van de moeder gerechtvaardigd is gezien haar sociale en professionele netwerk, de afstand van 24 kilometer tot de vader, en de stabiele zorgregeling. De vader blijft intensief betrokken bij het kind. Het hof vond dat terugverhuizen onredelijk zou zijn en de rust en stabiliteit van het kind in gevaar zou brengen.
De grieven van de vader faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 februari 2024, waarmee de moeder de verhuizing met het kind mag voortzetten.