ECLI:NL:GHARL:2024:5750
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schorsing uitleveringsdetentie wegens vluchtgevaar
De zaak betreft een hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland die het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie van de opgeëiste persoon heeft afgewezen. De opgeëiste persoon was aangehouden op basis van een uitleveringsverzoek van Zwitserland en verzocht om schorsing van zijn detentie.
De advocaat-generaal stelde primair dat het hoger beroep niet ontvankelijk was omdat er geen bevel was afgegeven waarop hoger beroep openstaat volgens artikel 56 lid 2 van Pro de Uitleveringswet. De verdediging betoogde echter dat het hoger beroep wel ontvankelijk is. Het hof oordeelde dat de wetgever de mogelijkheid tot hoger beroep tegen de afwijzing van een verzoek tot schorsing van de vrijheidsbeneming heeft beoogd en verklaarde het hoger beroep ontvankelijk.
Inhoudelijk stelde de verdediging dat er geen vluchtgevaar is, mede gezien de Nederlandse nationaliteit van de opgeëiste persoon, zijn sociale en economische bindingen met Nederland, en dat eventuele vluchtgevaar met voorwaarden zoals meldplicht en inlevering van reisdocumenten kan worden beperkt. De advocaat-generaal vond dat geen maatregelen het vluchtgevaar voldoende konden beperken.
Het hof onderschreef de motivering van de rechtbank en oordeelde dat het vluchtgevaar niet afdoende kan worden ingeperkt met de voorgestelde voorwaarden. Daarom werd het hoger beroep afgewezen en de beslissing van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van het verzoek tot schorsing van de uitleveringsdetentie wordt bevestigd.