Het geschil betreft de vraag of de reclameactiviteiten van belanghebbende, een gemeente, kwalificeren als een onderneming in de zin van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969. De Inspecteur legde een aanslag vennootschapsbelasting op over het jaar 2016, welke door belanghebbende werd betwist. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigde de aanslag en de beschikking belastingrente. De Inspecteur stelde hoger beroep in, belanghebbende incidenteel hoger beroep, dat zij later introk.
De reclameactiviteiten bestaan uit het verlenen van exclusieve concessierechten aan exploitanten voor het plaatsen en exploiteren van reclamedragers in de openbare ruimte. Het Hof oordeelt dat deze activiteiten voldoende zelfstandigheid bezitten om afzonderlijk te worden beoordeeld en niet mogen worden geclusterd met het beheer van de openbare ruimte. De meerwaarde van de concessies vloeit voort uit de gemeentelijke regulering die exclusiviteit creëert.
Het Hof stelt dat de activiteiten niet kwalificeren als het drijven van een onderneming omdat er geen duurzaam winststreven is en de arbeid die de gemeente verricht past binnen normaal vermogensbeheer. De exploitatie van de concessies brengt geen rendement boven normaal passief vermogensbeheer met zich mee. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.