ECLI:NL:GHARL:2024:5771

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
23/307
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet waardering onroerende zaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging WOZ-waarde etagewoning in appartementencomplex

De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de etagewoning per 1 januari 2020 vastgesteld op €141.000, wat leidde tot een aanslag onroerendezaakbelasting voor 2021. Belanghebbende betwistte deze waarde en maakte bezwaar, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in bij de Rechtbank, welke het beroep ongegrond verklaarde. Belanghebbende ging in hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Tijdens de zitting op 7 augustus 2024 werd door de heffingsambtenaar een taxatierapport overgelegd waarin de waarde werd onderbouwd met verkoopcijfers van vergelijkbare woningen binnen hetzelfde appartementencomplex. Het hof achtte de referentieobjecten, met name een woning met dezelfde inhoud, bouwjaar en locatie, goed vergelijkbaar en vond de gehanteerde waarde aannemelijk.

Belanghebbende verwees naar een koopprijs van een woning in september 2023, maar het hof vond deze te ver van de waardepeildatum om als maatstaf te dienen. Gezien de beschikbare transacties rond de waardepeildatum was het hof van oordeel dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog is vastgesteld en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/307
uitspraakdatum: 10 september 2024
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 19 december 2022, nummer UTR 22/468, in het geding tussen belanghebbende en
de heffingsambtenaar van de gemeente Wijdemeren(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres1] 251v te [woonplaats] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 141.000. Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar aan belanghebbende een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraken op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.5.
Belanghebbende heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2024. Namens belanghebbende is verschenen mr. D.A.N. Bartels. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam1] en taxateur [naam2] . Laatstgenoemde heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling.

2.Vaststaande feiten

Belanghebbende is eigenaar van de woning. Het betreft een etagewoning (bouwjaar 1978) met een inhoud van 182 m3. De woning beschikt over een parkeerplaats. De woning maakt deel uit van het appartementencomplex ‘’ [naam3] ’’
3.
Geschil
In geschil of de waarde van de woning per de waardepeildatum te hoog is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de heffingsambtenaar ontkennend.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ter onderbouwing van de door hem verdedigde waarde wijst de heffingsambtenaar op een taxatierapport opgesteld door [naam2] , taxateur. Hierin is de waarde van de woning op € 141.000 getaxeerd aan de hand van verkoopcijfers van drie woningen die omstreeks de waardepeildatum zijn verkocht.
4.2.
Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar met het taxatierapport en de daarop gegeven toelichting aannemelijk gemaakt dat de waarde van de woning per de waardepeildatum niet te hoog is vastgesteld. Het Hof acht de referentieobjecten goed vergelijkbaar om hieruit conclusies te kunnen trekken met betrekking tot de gezochte waarde. De referentieobjecten betreffen immers woningen gelegen in hetzelfde appartementencomplex. Het Hof acht in het bijzonder het referentieobject [adres1] 251u goed vergelijkbaar, gelet op het soort object (etagewoning), de locatie ( [adres1] ), de inhoud (182 m3), het bouwjaar (1978) en de secundaire objectkenmerken. In de taxatiematrix is uit het transactiecijfer van dit referentieobject een waarde per kubieke meter van € 849 herleid. Dat is meer dan de waarde per kubieke meter van € 697 waarvan bij de waardevaststelling van de woning is uitgegaan. Dit referentieobject biedt daarmee steun aan de door de heffingsambtenaar verdedigde waarde.
4.3.
Belanghebbende beroept zich op de in september 2023 gerealiseerde koopprijs van de [adres1] 251d. Naar het oordeel van het Hof is dit verkoopcijfer in dit geval te ver van de waardepeildatum gerealiseerd om als maatstaf te kunnen dienen. Hierbij neemt het Hof in aanmerking dat er rond de waardepeildatum voldoende verkooptransacties van goed vergelijkbare woningen hebben plaatsgevonden, die inzicht geven in het waardeniveau op dat moment.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.M.R. Bouwman als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2024
De griffier, De raadsheer,
C.M.R. Bouwman A.J.H. van Suilen
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 12 september 2024
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.