ECLI:NL:GHARL:2024:5785

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 september 2024
Publicatiedatum
12 september 2024
Zaaknummer
23/2500
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbWet WOZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken machtiging WOZ-waarde

De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde van een woning vast op €135.000 voor het jaar 2021 en legde een aanslag onroerendezaakbelasting op. Na bezwaar handhaafde de heffingsambtenaar deze beschikking. Tegen deze beslissing werd beroep ingesteld bij de Rechtbank, die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het ontbreken van een geldige machtiging.

In hoger beroep betoogde de indiener namens de belanghebbende, maar ook in hoger beroep werd geen geldige machtiging overgelegd. De Rechtbank had meerdere malen een termijn gesteld om het verzuim te herstellen, maar dit bleef uit. Het gerechtshof oordeelde dat het verzuim niet in hoger beroep kan worden hersteld en bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring.

Het hof wees tevens op de wettelijke vereisten voor ondertekening en machtiging van beroepschriften en benadrukte het belang van het overleggen van een schriftelijke volmacht bij het indienen van een beroep namens een ander. Er werd geen griffierechtvergoeding of proceskosten toegewezen. De uitspraak is openbaar en partijen kunnen binnen zes weken cassatie instellen bij de Hoge Raad.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens het ontbreken van een geldige machtiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
nummer BK-ARN 23/2500
uitspraakdatum: 10 september 2024
Uitspraak van de derde enkelvoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[naam1]te
[woonplaats]
tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank) van 19 juni 2023, nummer UTR 22/453, in de zaak tussen [naam1] , veronderstellenderwijs handelend namens [belanghebbende] , en
de heffingsambtenaar van de gemeente Wijdemeren(hierna: de heffingsambtenaar)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak aan de [adres1] 251d te [plaats1] (hierna: de woning), per waardepeildatum 1 januari 2020, voor het jaar 2021 vastgesteld op € 135.000 . Tegelijk met deze beschikking heeft de heffingsambtenaar voor dat jaar een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd.
1.2.
Na bezwaar heeft de heffingsambtenaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.
1.3.
Tegen die uitspraken op bezwaar is beroep ingesteld bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet (tijdig) verstrekken van een volmacht.
1.4.
[naam1] heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
[naam1] heeft voorafgaand aan de zitting nadere stukken ingediend.
1.6.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 augustus 2024. [naam1] is verschenen. Namens de heffingsambtenaar zijn verschenen [naam2] en taxateur [naam3] . Laatstgenoemde heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de mondelinge behandeling.

2.Vaststaande feiten

2.1.
De Rechtbank heeft bij brieven van 8 februari 2022 en 19 april 2022 [naam1] in kennis gesteld van het feit dat het beroep niet voldoet aan de gestelde voorwaarden, omdat er geen (geldige) machtiging is overgelegd. In deze brieven heeft de Rechtbank een termijn van vier weken gesteld om alsnog een machtiging over te leggen en nadrukkelijk vermeld dat het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard, indien het geconstateerde verzuim niet tijdig wordt hersteld.
2.2.
[naam1] heeft bij brief van 17 mei 2022 een reactie gegeven waarbij hij echter geen volmacht verstrekt, maar enkel twee e-mailberichten.

3.Geschil

In geschil is of de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet overleggen van een machtiging.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Ingevolge artikel 6:5, lid 1, aanhef en letter a, Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het – voor zover hier van belang – ten minste de naam en het adres van de indiener. Daarbij wordt met ‘indiener’ bedoeld degene die voor zichzelf beroep instelt of degene namens wie beroep wordt ingesteld (vgl. HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO7505).
4.2.
Ondertekening van het beroepschrift dient als bewijs dat het geschrift door of namens de indiener is opgesteld. Is het beroepschrift niet door de indiener zelf (mede)ondertekend maar slechts door degene die bij het beroepschrift stelt daartoe te zijn gemachtigd, dan is daarmee dit bewijs niet geleverd indien bij dat beroepschrift geen schriftelijke machtiging wordt overgelegd. In zoverre kleeft dan aan het beroepschrift een gebrek (vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2).
4.3.
Op grond van artikel 6:6 Awb Pro kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 Awb Pro of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. Het ontbreken van een schriftelijke volmacht is als een zodanig verzuim aan te merken (vgl. HR 10 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:2).
4.4.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De Rechtbank heeft in de brieven meerdere termijnen gesteld waarbinnen [naam1] de mogelijkheid had de juiste volmacht over te leggen. Niet gebleken is dat [naam1] binnen deze termijnen een juiste volmacht heeft overgelegd. Dit verzuim kan in hoger beroep niet worden hersteld.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J.H. van Suilen, raadsheer, in tegenwoordigheid van mr. C.M.R. Bouwman als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2024
De griffier, De raadsheer,
C.M.R. Bouwman A.J.H. van Suilen
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op 12 september 2024
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.