ECLI:NL:GHARL:2024:5843

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
17 september 2024
Zaaknummer
200.340.003/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 133 lid 4 RvArt. 353 RvArt. 1.12 Lpr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens niet-indienen memorie van grieven

Visser Beheer B.V. stelde hoger beroep in tegen een vonnis van de kantonrechter te Lelystad, uitgesproken op 13 december 2023. Na aanhouding van de zaak voor het betalen van griffierecht en het nemen van de memorie van grieven, heeft Visser nagelaten om binnen de gestelde termijnen de memorie van grieven in te dienen. Ondanks meerdere aanhoudingen en een termijnverlenging tot 9 juli 2024, werd geen memorie van grieven ingediend en stelde zich geen nieuwe advocaat voor Visser.

Het hof oordeelde dat op grond van artikel 133 lid 4 Rv Pro en artikel 353 Rv Pro het recht om alsnog een memorie van grieven in te dienen is komen te vervallen. Omdat Visser geen grieven formuleerde en het bestreden vonnis niet in strijd is met openbare orde, werd Visser niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep.

Daarnaast werd Visser veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Countus Groep B.V., waaronder griffierecht en advocaatkosten. Het hof wees alle overige vorderingen af. Dit arrest werd uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 17 september 2024.

Uitkomst: Visser werd niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep en veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden, afdeling civiel
zaaknummer gerechtshof 200.340.003/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 10603408
arrest van 17 september 2024
in de zaak van
Visser Beheer B.V.,
die kantoor houdt in Visvliet,
die hoger beroep heeft ingesteld,
en bij de kantonrechter optrad als gedaagde,
hierna:
Visser,
advocaat: mr. A.J. ter Wee uit Meppel, die zich heeft onttrokken,
tegen
Countus Groep B.V.,
die is gevestigd in Zwolle,
en bij de kantonrechter optrad als eiseres,
hierna:
Countus,
advocaat: mr. A. Kroondijk uit Wolvega.

1.Het verloop van de procedure

1.1
Visser heeft bij exploot van 13 maart 2024 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op
13 december 2023 tussen partijen heeft uitgesproken. De zaak is aangebracht op de rolzitting van 16 april 2024.
1.2
Vervolgens is de zaak aangehouden tot 14 mei 2024 voor afwachten griffierecht partijen/memorie van grieven. Partijen hebben het griffierecht betaald, waarna Visser een termijn heeft gekregen tot 28 mei 2024 voor het nemen van de memorie van grieven.
1.3
Op 28 mei 2024 heeft Visser geen memorie van grieven genomen waarna een laatste aanhouding is verleend tot 25 juni 2024.
1.4
Op de rolzitting van 25 juni 2024 is geen memorie van grieven ingediend en heeft mr. Ter Wee zich aan de zaak onttrokken. Hij heeft zijn cliënt schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan. Voor het opnieuw stellen van een advocaat en het alsnog nemen van de memorie van grieven is aan Visser twee weken uitstel verleend tot 9 juli 2024.
1.5
Op de rol van 9 juli 2024 heeft zich voor Visser geen nieuwe advocaat gesteld en is evenmin de memorie van grieven genomen. De zaak is verwezen naar de rol van 23 juli 2024 voor uitlating Countus over het instellen van incidenteel hoger beroep of voor het vragen van arrest.
1.6
Op de rol van 23 juli 2024 heeft Countus het hof verzocht arrest te wijzen en Visser te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Countus heeft daartoe het procesdossier overgelegd.

2.Het oordeel van het hof

2.1
In artikel 133 lid 4 Rv Pro is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van art. 353 Rv Pro is die bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In art. 1.12, eerste volzin, van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr; zestiende versie, juli 2024) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden gehandhaafd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
2.2
Aangezien zich namens Visser op 9 juli 2024 geen nieuwe advocaat heeft gesteld en de memorie van grieven niet is genomen, brengt toepassing van deze bepalingen mee dat het recht van Visser om alsnog een memorie van grieven in te dienen, is komen te vervallen.
2.3
Omdat Visser geen grieven heeft geformuleerd tegen het bestreden vonnis en in aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal Visser niet-ontvankelijk worden verklaard in haar hoger beroep.
2.4
Visser moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal Visser dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak, zonder dat het hof deze kosten in het dictum hoeft te specificeren. [1]

3.De beslissing

Het hof:
verklaart Visser niet-ontvankelijk in het hoger beroep;
veroordeelt Visser tot betaling van de volgende proceskosten van Countus:
€ 798,- aan griffierecht
€ 591,50 aan salaris van de advocaat van Countus (½ procespunt x appeltarief II).
wijst af wat anders of meer is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, M.W. Zandbergen en W.F. Boele, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
17 september 2024.

Voetnoten

1.HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.